ECLI:NL:CBB:2020:496
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond verklaard tegen vaststelling fosfaatrecht en individuele last
Appellante exploiteert een melkveehouderij en betwist het door verweerder vastgestelde fosfaatrecht, waarbij zij stelt dat door de ziekte van haar bestuurder op de peildatum een individuele en buitensporige last op haar rust. Verweerder had het fosfaatrecht vastgesteld en later verhoogd na toepassing van de knelgevallenregeling vanwege de ziekte van de bestuurder.
Appellante vordert compensatie voor de gevolgen van de ziekte na de peildatum en stelt dat verweerder haar bezwaar over een individuele en buitensporige last onterecht niet heeft beoordeeld. Verweerder stelt dat het subsidiaire bezwaar niet hoefde te worden behandeld omdat het primaire bezwaar werd gehonoreerd en dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een individuele en buitensporige last.
Het College oordeelt dat verweerder terecht uitging van het feit dat het subsidiaire bezwaar niet hoefde te worden behandeld na toepassing van de knelgevallenregeling. Daarnaast heeft appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een individuele en buitensporige last draagt, omdat zij geen concrete gegevens over de omvang van de beoogde uitbreiding, vergunningen of onomkeerbare financiële verplichtingen heeft verstrekt.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek op 4 augustus 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing van een individuele en buitensporige last.