Appellante stelde hoger beroep in tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. Tijdens de procedure nam verweerder een nieuw besluit waarin tegemoet werd gekomen aan de bezwaren van appellante, waardoor het procesbelang van appellante kwam te vervallen. Het College van Beroep verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.
Appellante verzocht om een volledige proceskostenvergoeding wegens bijzondere omstandigheden, maar het College oordeelde dat de zaak van gemiddelde zwaarte was en geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren om af te wijken van het forfaitaire stelsel. Bovendien werd vastgesteld dat het deskundigenrapport en de accountantskosten niet hebben bijgedragen aan het gewijzigde standpunt van verweerder en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Het College veroordeelde verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €501 en een forfaitaire proceskostenvergoeding van €525 aan appellante. De uitspraak werd gedaan door mr. R.W.L. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2020.