Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2020 in de zaak tussen
de Stichting Slingeland Ziekenhuis, te Doetinchem, appellante
de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster
Procesverloop
Overwegingen
Verweerster heeft in dit verband nog verduidelijkt dat de 5 minuten laadtijd uitsluitend betrekking heeft op het logistieke proces. Er is gekozen om een vaste tijdspanne van 5 minuten inlaadtijd in het model op te nemen om het model zo veel mogelijk te laten aansluiten bij het proces dat plaatsvindt als er een melding van een incident wordt gedaan.
Zoals het College in r.o. 5.4 van de tussenuitspraak van 21 juli 2017 heeft overwogen hoeft bij de 45-minutennorm geen rekening te worden gehouden met een behandeltijd. Het College voegt hier thans aan toe dat ook het stabiliseren van de patiënt in het kader van de 45-minutennorm als behandelen heeft te gelden en derhalve geen deel uitmaakt van de door het RIVM bedoelde laadtijd. Dit leidt het College tot het oordeel dat de beroepsgrond van appellante die is gericht tegen de gehanteerde inlaadtijd faalt.
Nu in de door appellante bedoelde registratie van “inlaadtijden” tevens het stabiliseren is inbegrepen, alsmede eventuele verdere medische handelingen, kan dit reeds de verklaring zijn voor de stelling van appellante dat bij 98,6% van haar ritten de “inlaadtijd” van 5 minuten niet wordt gehaald. Dit komt immers overeen met de expert opinion dat vrijwel altijd ter plaatse wordt gestabiliseerd of anderszins behandeld. Deze tijden missen daarom relevantie voor de vraag of aan de norm wordt voldaan. Voor de vraag of de SEH van appellante in relatie tot de andere SEH’s in Nederland als een voor de 45-minutennorm “gevoelig” ziekenhuis dient te worden aangemerkt kunnen enkel de aanrij- en doorrijtijden doorslaggevend zijn.