Appellant diende bezwaar in tegen het primaire besluit van 31 oktober 2018 waarin de minister de uitbetaling van basis- en vergroeningsbetalingen 2016 herberekende. Verweerder stelde dat het bezwaar te laat was ingediend, aangezien het uiterlijk 12 december 2018 binnen had moeten zijn, terwijl het pas op 20 december 2018 werd ontvangen.
Appellant voerde aan het primaire besluit niet te hebben ontvangen en pas via de terugvorderingsbrief van 15 november 2018 op de hoogte te zijn gebracht. Hij stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was en dat het aan verweerder was om ontvangst aan te tonen. Verweerder onderbouwde met verzendadministratie dat het besluit op het juiste adres en tijdig was verzonden.
Het College oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat het besluit op de juiste wijze was verzonden en dat appellant onvoldoende feiten had gesteld om ontvangst te betwijfelen. De termijnoverschrijding was niet verschoonbaar, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Het beroep werd ongegrond verklaard.