Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag had op 8 juni 2012 een besluit genomen om spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het niet op de voorgeschreven wijze aanbieden van huishoudelijk afval. De kosten van deze bestuursdwang (€ 119,00) werden aan appellante opgelegd. Appellante stelde bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift na de wettelijke termijn zou zijn ingediend.
Appellante betoogde dat zij het besluit pas op 6 juli 2012 ontving en dat de termijn daarom niet was verstreken. Het college kon niet aannemelijk maken dat het besluit daadwerkelijk op 8 juni 2012 was verzonden, omdat het besluit niet aangetekend was en er geen deugdelijke verzendadministratie bestond. Hierdoor bleef onduidelijk wanneer de bezwaartermijn aanving.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat, gelet op de onduidelijkheid over de verzenddatum en de door appellante gestelde ontvangstdatum, moest worden uitgegaan van een verzenddatum van 5 juli 2012. Hierdoor was het bezwaarschrift tijdig ingediend en had het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit van 28 september 2012 vernietigd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wordt vernietigd.
Uitspraak
201210304/1/A4.
Datum uitspraak: 10 juli 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend te Den Haag,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2012 heeft het college zijn beslissing om op 15 mei 2012 spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het niet op de voorgeschreven wijze ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 119,00) voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 28 september 2012 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:45 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) [appellante] en het college verzocht om schriftelijk inlichtingen te geven.
[appellante] en het college hebben deze inlichtingen gegeven.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.S. Imanse, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
Overwegingen
1. Het college heeft het bezwaar van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift volgens het college na afloop van de bezwaartermijn is ingediend en dit niet verschoonbaar kan worden geacht. Volgens het college is het besluit van 8 juni 2012 op diezelfde dag verzonden en is het bezwaarschrift pas op 2 augustus 2012 ter post bezorgd en op 3 augustus 2012 bij het college ingekomen.
2. [appellante] betoogt dat het college haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dit verband voert zij aan dat zij het besluit van 8 juni 2012 eerst op 6 juli 2012 per post heeft ontvangen. Zij stelt verder dat een ambtenaar van de gemeente in een telefoongesprek heeft gezegd dat de termijn kon worden verlengd tot zes weken na 20 juli 2012 omdat zij van 8 tot 20 juli 2012 op vakantie zou zijn.
2.1. Ingevolge artikel 6:7 vanPro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2.2. Gelet op het feit dat er vier weken zijn verlopen tussen de door het college gestelde datum van verzending van het besluit van 8 juni 2012 en de door [appellante] gestelde datum van ontvangst daarvan, bestaat twijfel over de daadwerkelijke datum van verzending van dit besluit.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 mei 2012 in zaak nr. 201106649/1/A3), is het, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit, aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit op de gestelde datum is verzonden. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat een deugdelijke verzendadministratie bestaat.
2.3. Het besluit van 8 juni 2012 is niet aangetekend verzonden. Op het besluit is 8 juni 2012 als datum van het besluit gestempeld, maar een verzenddatum ontbreekt. Blijkens de reactie van het college op het verzoek om inlichtingen beschikte het college ten tijde van het nemen van het besluit van 8 juni 2012 niet over een deugdelijke verzendadministratie. In zijn reactie heeft het college medegedeeld dat het niet beschikt over bewijs waaruit blijkt dat het besluit van 8 juni 2012 op die datum is verzonden. Wel was het volgens het college in de periode waarin het besluit is genomen de vaste werkwijze om besluiten over toepassing van spoedeisende bestuursdwang nog dezelfde dag te verzenden.
Het college heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 8 juni 2012 op die datum is verzonden. Nu niet duidelijk is wanneer dit besluit is verzonden, is evenmin duidelijk wanneer de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit is aangevangen. Onder deze omstandigheden moet er, gelet op de door [appellante] gestelde datum van ontvangst, van worden uitgegaan dat het besluit op 5 juli 2012 is verzonden. De bewaartermijn liep in dat geval van 6 juli 2012 tot en met 16 augustus 2012. Het bezwaarschrift van [appellante] is binnen deze termijn ingediend, zodat het college haar bezwaar ten onrechte wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De beroepsgrond slaagt.
3. Het beroep is gegrond. Het besluit van 28 september 2012 dient te worden vernietigd.
4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 28 september 2012, kenmerk B.4.12.1643.001;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.