Appellante exploiteert een melkveebedrijf en verplaatste haar bedrijf naar een nieuwe locatie met uitbreiding van de veestapel. Het fosfaatrecht werd vastgesteld door verweerder, maar appellante betwistte de toegepaste dieraantallen en stelde dat zij aanspraak maakte op de startersregeling en knelgevallenregelingen.
Het College oordeelt dat het fosfaatrecht onjuist is vastgesteld omdat niet alle Duitse runderen als melkkoeien waren meegeteld. Verweerder erkende dit en stelde het fosfaatrecht op basis van de juiste aantallen vast. De startersregeling en knelgevallenregelingen zijn niet van toepassing omdat sprake is van een bedrijfsverplaatsing en niet van een nieuw gestart bedrijf, en de verplaatsing niet voortkwam uit overheidsmaatregelen zoals aanleg van natuurgebied.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last oplevert, maar het College concludeert dat de gevolgen binnen het ondernemersrisico vallen, mede omdat appellante al in 2013 begon met uitbreidingsplannen terwijl het fosfaatrechtenstelsel toen al voorzienbaar was.
Tot slot oordeelt het College dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende, omdat verweerder beschikte over juiste gegevens en dit had moeten meenemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht. Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de proceskostenvergoeding aan appellante te vergoeden.