In deze zaak heeft de minister van Landbouw het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op basis van de melkproductie in 2015. Appellante voerde aan dat het fosfaatrecht te laag was vastgesteld, mede door melk aan kalveren die niet was meegenomen, en dat zij als biologische melkveehouder buiten het fosfaatrechtenstelsel had moeten worden gehouden. Tevens stelde zij dat schade door ganzenvraat haar dwong minder dieren te houden, wat een disproportionele last opleverde.
Het College stelde vast dat de melkproductie hoger was dan aanvankelijk vastgesteld en verhoogde het fosfaatrecht naar 4.165 kilogram. Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel ook voor biologische boeren geldt en dat de generieke korting niet op appellante van toepassing is vanwege haar grondgebondenheid. Schade door ganzenvraat werd niet als bijzondere omstandigheid erkend, mede omdat appellante compensatie had ontvangen.
Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen met een nieuwe vaststelling van het fosfaatrecht. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.