ECLI:NL:CBB:2018:520
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling individuele buitensporige last bij vaststelling melkveefosfaatreferentie 2013
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar melkveefosfaatreferentie (MVFR) 2013 door verweerder, stellende dat de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (Wvgm) onvoldoende rekening houdt met haar individuele omstandigheden en daardoor een individuele buitensporige last oplevert in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP).
Na eerdere vernietiging van een besluit door het College is bij een nieuw besluit opnieuw vastgesteld dat appellante geen ontheffing krijgt en dat de MVFR 2013 niet in strijd is met artikel 1 EP Pro. Appellante voert aan dat zij onomkeerbare verplichtingen is aangegaan voor bedrijfsuitbreiding en dat wijzigingen in de regelgeving haar onevenredig treffen.
Verweerder stelt dat de onomkeerbare verplichtingen na 12 december 2013 zijn aangegaan en dat de gemaakte kosten binnen het normale ondernemersrisico vallen. Het College oordeelt dat verweerder redelijke beoordelingscriteria hanteert en dat appellante onvoldoende bewijs levert voor een individuele buitensporige last. De bedrijfsovername en bijkomende verplichtingen zijn bewust aangegaan en komen voor eigen risico.
Het College concludeert dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 1 EP Pro en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vaststelling van de melkveefosfaatreferentie 2013 wordt ongegrond verklaard.