ECLI:NL:CBB:2018:311
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- A. Venekamp
- T. Pavićević
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing extra betaling jonge landbouwers wegens eerdere oprichting landbouwbedrijf
Appellante, een maatschap, verzocht om een extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2015, welke door verweerder werd afgewezen omdat de als jonge landbouwer opgegeven maat niet voldeed aan de vereiste blokkerende zeggenschap en omdat hij meer dan vijf jaar voor de aanvraag een landbouwonderneming had opgericht.
Het geschil betrof de vraag of de jonge landbouwer binnen vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag voor het eerst bedrijfshoofd van een landbouwonderneming was geworden. Het College oordeelde dat de jonge landbouwer al sinds 1997 in een maatschap zat met blokkerende zeggenschap en dat hij daarmee niet voldeed aan de definitie van jonge landbouwer zoals bedoeld in de relevante EU-verordeningen en de Uitvoeringsregeling.
Het bestreden besluit had een motiveringsgebrek, maar dit werd gepasseerd omdat appellante niet benadeeld was en voldoende gelegenheid had gehad te reageren. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten vanwege de gewijzigde motivering in beroep.
De uitspraak bevestigt dat langdurige blokkerende zeggenschap en eerdere oprichting van een landbouwbedrijf binnen de vijfjaarsperiode uitsluit dat een persoon als jonge landbouwer kan worden aangemerkt voor de extra betaling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor de extra betaling jonge landbouwers wordt terecht afgewezen.