Appellante, een vennootschap onder firma, verzocht om toekenning van betalingsrechten uit de Nationale Reserve voor jonge landbouwers. Verweerder wees dit af omdat de zoon van appellante, medevennoot, eerder zeggenschap zou hebben gehad over een rechtspersoon met landbouwactiviteiten. Appellante betwistte dit en stelde dat het bedrijf van de zoon geen landbouwactiviteiten verrichtte, maar diensten verleende zoals grondwerk en transport.
Het College oordeelde dat verweerder ten onrechte volstond met de inschrijving in het handelsregister en onvoldoende onderzoek deed naar de feitelijke activiteiten. Dit was in strijd met de onderzoeksplicht uit de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep tegen het primaire besluit is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat verweerder terecht op een andere grond de betaling weigerde: de zoon had geen daadwerkelijke langdurige zeggenschap over het bedrijf.
Verder werd geoordeeld dat verweerder appellante ten onrechte niet heeft gehoord over het bezwaar tegen het tweede primaire besluit, maar dit gebrek werd gepasseerd. Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard voor zover het de inhoud betreft, maar gegrond voor de afwijzing van de proceskostenvergoeding. Het College veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van appellante.