Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen
[naam 1] B.V. te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
.
Overwegingen
.Dat de inschrijving in het handelsregister van de KvK tijdens de bezwaarprocedure is gewijzigd en de zoon alsnog staat ingeschreven als bestuurder doet hieraan volgens verweerder niet af, omdat de zoon op de peildatum 15 mei 2015 bedrijfsleider was.
Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is - kort gezegd - dat deze daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen in het eerste jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014). Artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel) bepaalde, ten tijde hier van belang, dat van daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer:
a) ten minste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan 25.000 euro, en
Uit deze gegevens heeft verweerder terecht niet afgeleid dat de zoon blokkerende zeggenschap heeft als hiervoor bedoeld. Voor zover appellante betoogt dat het steeds haar bedoeling was dat de zoon als bestuurder alleen zelfstandig bevoegd zou zijn vanaf het moment van haar oprichting, maar dit slechts per abuis niet juist is geregistreerd in het handelsregister van de KvK, moet worden vastgesteld dat dit betoog faalt, reeds omdat uit de door appellante in beroep overgelegde akte tot oprichting van de B.V. van appellante, gedateerd 1 mei 2015, blijkt dat de vader als zelfstandig bevoegd bestuurder van [naam 2] appellante heeft opgericht en dat expliciet is geregeld dat voor de eerste maal, tot 31 december 2015, als bestuurder van de vennootschap is aangemerkt de enig aandeelhouder [naam 2] . Aangezien, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, [naam 2] enig aandeelhouder en bestuurder van appellante is en de zoon beslissingen van [naam 2] niet kan blokkeren, heeft de zoon ten tijde van de aanvraag geen blokkerende zeggenschap (vergelijk de uitspraak van het College, hiervoor aangehaald).