ECLI:NL:CBB:2018:161

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
24 april 2018
Publicatiedatum
9 mei 2018
Zaaknummer
16/1285
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 PlantenziektenwetArtikel 4 Plantenziektenwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming schade rozenkwekerij wegens ontbreken causaal verband met maatregelen Plantenziektenwet

Appellante exploiteert een rozenkwekerij en ondervond problemen door de aanwezigheid van het quarantaineorganisme Ralstonia Solanacearum. Na monsters te hebben genomen, werden besmette planten vastgesteld en moest appellante deze vernietigen. Verweerder legde beperkingen op, maar hief deze later op.

Appellante verzocht om een tegemoetkoming op grond van artikel 4 van Pro de Plantenziektenwet wegens de door haar geleden schade, geraamd op ruim €1,5 miljoen. Verweerder wees dit verzoek af omdat onvoldoende causaal verband bestond tussen de maatregelen en de schade, die volgens hem tot het normale bedrijfsrisico behoorde.

In beroep betoogde appellante dat wel degelijk een causaal verband bestond en dat de schade niet voorzienbaar was. Het College oordeelde dat appellante al vóór de verplichte vernietiging van de besmette partijen was overgegaan tot vernietiging, waardoor het causaal verband ontbrak. Het beroep werd ongegrond verklaard. De overige beroepsgronden werden niet behandeld omdat deze niet tot een ander resultaat konden leiden.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van causaal verband tussen de maatregelen en de schade.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1285
32100

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2018 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.Y. Oranje),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. E.M. Scheffer).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4 van Pro de Plantenziektenwet (Pzw) afgewezen.
Bij besluit van 17 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1.1
Appellante exploiteert (onder meer) een rozenkwekerij. Naar aanleiding van problemen bij twee afnemers van rozenplanten die bij appellante waren gestekt heeft verweerder op 16 september 2015 op het bedrijf van appellante monsters genomen voor nader onderzoek naar de aanwezigheid van het quarantaineorganisme Ralstonia Solanacearum. Appellante heeft alle besmette partijen vernietigd in de periode van 17 september 2015 tot en met 22 oktober 2015. Bij besluit van 21 september 2015 heeft verweerder alle planten op het bedrijf van appellante vastgelegd in verband met nader onderzoek naar Ralstonia Solanacearum. Bij besluit van 2 februari 2016 heeft verweerder 24 partijen Rosa besmet verklaard met Ralstonia Solanacearum, de overige op het bedrijf aanwezige partijen Rosa als waarschijnlijk besmet aangemerkt en appellante aangezegd alle besmette partijen te vernietigen. Bij besluit van 3 februari 2016 heeft verweerder alle beperkende maatregelen opgeheven.
1.2
Appellante heeft verweerder op grond van artikel 4 van Pro de Pzw verzocht om een tegemoetkoming in verband met geleden schade ten gevolge van de door haar getroffen maatregelen ter bestrijding van en ter voorkoming van verspreiding van Ralstonia Solanacearum. De hoogte van de schade is door het door appellante ingeschakelde expertisebureau geraamd op € 1.589.002,87.
2.1
Verweerder heeft het verzoek van appellante afgewezen, omdat er onvoldoende causaal verband zou bestaan tussen de door hem opgelegde maatregelen en de door appellante geclaimde schade. De schade behoort volgens verweerder tot het normale bedrijfsrisico en daarnaast is de door de opgelegde maatregel geleden schade niet onevenredig zwaar ten opzichte van de schade als gevolg van de uitbraak van Ralstonia Solanacearum.
2.2
Verweerder stelt dat het feit dat appellante de partijen reeds had vernietigd voordat verweerder appellante daartoe verplicht had, bevestigt dat appellante vroeger of later, zonder tussenkomst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, dezelfde maatregelen zou hebben genomen. Bij de beslissing om te ruimen spelen volgens verweerder vooral bedrijfseconomische redenen een rol. Volgens verweerder is appellante verder gegaan dan de opgelegde maatregelen door ook de waarschijnlijk besmet geraakte partijen te vernietigen, om zo opnieuw te kunnen beginnen met nieuwe gewassen. Daarbij speelde volgens verweerder ook mee dat er klachten van afnemers waren en dat appellante daarvoor aansprakelijk gesteld zou worden. Verweerder stelt dat appellante om zo snel mogelijk van de besmetting af te komen de maatregelen van verweerder niet heeft afgewacht.
3. Appellante voert in beroep aan dat er wel een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de door verweerder opgelegde maatregelen, dat de schade niet voorzienbaar was en niet tot het normale bedrijfsrisico behoort en dat sprake is van schade die onevenredig drukt op appellante. Voorts voert appellante aan dat het feit dat zij proactief is overgaan tot ruiming van de planten niet betekent dat niet zou zijn voldaan aan artikel 3 van Pro de Pzw, omdat het evident is dat verweerder haar daartoe anders zou hebben gedwongen. Verder benadrukt appellante dat de rozen symptoomloos besmet kunnen zijn met Ralstonia Solanacearum, en dat haar geval dus vergelijkbaar is met het geval dat aan de orde was in de uitspraak van het College van 16 april 2009 inzake kuipplanten (ECLI:NL:CBB:2009:BI4350).
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
Op grond van artikel 4 van Pro de Pzw is de minister bevoegd in gevallen waarin de schade, welke het gevolg is van het toepassen van krachtens artikel 3 gegeven Pro voorschriften, onevenredig zwaar op een of meer personen zou drukken, uit ’s Rijks schatkist een tegemoetkoming te verlenen in de geleden schade.
4.2
In dit geding is de beantwoording van de vraag aan de orde of verweerder bij het bestreden besluit zijn weigering aan appellante een tegemoetkoming als bedoeld in
artikel 4 van Pro de Pzw te verstrekken in redelijkheid heeft kunnen handhaven.
4.3
Uit vaste jurisprudentie van het College, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BI1931), volgt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van
artikel 4 van Pro de Pzw blijkt dat met de introductie van dit artikel niet is beoogd een algemene schadevergoedingsplicht voor verweerder in het leven te roepen.
4.4
Naar het oordeel van het College moet de onder 4.2 geformuleerde vraag bevestigend worden beantwoord, nu een causaal verband ontbreekt tussen de door appellante gestelde schade en het besluit van verweerder op grond van artikel 3 van Pro de Pzw. Appellante is immers nog voordat haar is aangezegd de besmette partijen te vernietigen overgegaan tot het vernietigen van al haar rozenplanten, met als doel haar bedrijf te kunnen voortzetten.
4.5
Het beroep van appellante op de hierboven onder 3 vermelde uitspraak van het College van 16 april 2009 slaagt niet, reeds omdat in het geval van de door appellante genoemde uitspraak wel causaal verband is aangenomen.
4.6
De overige door appellante aangevoerde beroepsgronden behoeven geen behandeling nu deze niet tot het door appellante gewenste resultaat kunnen leiden.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.L. van der Beek en mr. G.A.J. van den Hurk, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. M.B. van Zantvoort