ECLI:NL:CBB:2018:155
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toewijzing betalingsrechten en extra betaling jonge landbouwer wegens ontbreken blokkerende zeggenschap
Appellante exploiteert een landbouwbedrijf en verzocht om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers en om extra betaling voor jonge landbouwers. Deze aanvragen werden door verweerder afgewezen omdat de jonge landbouwer geen daadwerkelijke en langdurige blokkerende zeggenschap over de maatschap had.
De regelgeving vereist dat jonge landbouwers ten minste blokkerende zeggenschap moeten hebben over ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-, vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. De afspraken tussen de maten van appellante waren ten tijde van de aanvraag niet schriftelijk vastgelegd. Pas later, binnen het coulancebeleid van verweerder, werd een maatschapscontract ondertekend, maar dit was meer dan negen maanden na het maken van de afspraken.
Het College oordeelt dat verweerder het maatschapscontract terecht niet heeft betrokken bij de beoordeling omdat het coulancebeleid een termijn van negen maanden hanteert. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die tot een andere beoordeling leiden. Ook de vordering tot vergoeding van kosten in de bezwaarfase wordt afgewezen omdat het bestreden besluit niet is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blokkerende zeggenschap voorafgaand aan de aanvraag.