ECLI:NL:CBB:2017:442
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- R.R. Winter
- H.A.B. van Dorst-Tatomir
- T.P.J.N. van Rijn
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boetes wegens overschrijding gebruiksnormen meststoffen bij melkveehouder
Appellant, een melkveehouder, kreeg bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtreding van de gebruiksnormen voor meststoffen in 2010 en 2011. De staatssecretaris had geconcludeerd dat appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht had over meerdere percelen landbouwgrond die hij had opgegeven, waardoor deze percelen niet als tot zijn bedrijf behorende landbouwgrond konden worden gerekend. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk de feitelijke beschikkingsmacht had, onder meer op grond van grondgebruiksovereenkomsten en het feit dat hij verantwoordelijk was voor de percelen. Het College oordeelde echter dat de feitelijke situatie en verklaringen van de eigenaren en beheerders van de percelen aantonen dat appellant geen regie voerde over de werkzaamheden, het beheer of het gebruik van de grond. Bovendien betrof een perceel geen landbouwgrond in de zin van de Meststoffenwet.
Het College bevestigde dat de percelen niet tot het bedrijf van appellant behoorden en dat de staatssecretaris terecht de gebruiksnormen berekende zonder deze percelen mee te tellen. Wel matigde het College de boetes met 5% vanwege overschrijding van de redelijke termijn van de bestuursrechtelijke procedure. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de hoogte van de boetes betrof, en de boetes werden vastgesteld op €42.750 per jaar.
Uitkomst: De boetes voor 2010 en 2011 worden vastgesteld op €42.750 per jaar en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de hoogte van de boetes is vastgesteld.