Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te [plaats 1] , verzoekster
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
€ 30.000,- en voor maatregel 2 een dwangsom van € 2.500,- per constatering met een maximum van € 10.000,-.
Overwegingen
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
Nu, gelet op het vorenstaande, niet duidelijk is wat de aard van de last is, berust het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op een deugdelijke motivering en dient ernstig te worden betwijfeld of dit besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Hierbij wijst de voorzieningenrechter er op dat in het geval sprake is van een preventieve last voor de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht tot het opleggen van een dergelijke last een ander beoordelingskader geldt dan in het geval de last strekt tot het ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, zoals hierna in 6.7 nog nader aan de orde zal komen.
Beslissing
- wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit en het primaire besluit tot 6 weken na de uitspraak in de bodemprocedure;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan verzoekster te vergoeden;
€ 992,-