ECLI:NL:CBB:2016:287
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond verklaard tegen randvoorwaardenkorting wegens niet-emissiearm aanwenden meststoffen
Appellante, een landbouwer, kreeg een randvoorwaardenkorting van 3% opgelegd op haar GLB-subsidies voor 2014 omdat zij de verplichting om dierlijke meststoffen emissiearm aan te wenden niet zou hebben nageleefd. Dit volgde op een inspectie waarbij werd vastgesteld dat de mest niet in sleufjes in de grond was gebracht, maar op de grond werd uitgereden.
Appellante voerde aan dat de mest wel emissiearm was aangebracht volgens de mestwetgeving en dat de omstandigheden op de kleigrond in Noordoost-Groningen het maken van sleufjes onmogelijk maakten. Tevens stelde zij dat de opgelegde korting buitenproportioneel was en verzocht om matiging naar 1%. Ook wees zij op een vermeende rechtsongelijkheid tussen de regels voor grasland en bouwland.
Het College oordeelde dat het inspectieverslag betrouwbaar is en dat verweerder terecht de korting van 3% heeft opgelegd. De omstandigheden en argumenten van appellante boden geen grond voor matiging, mede omdat alternatieven voorhanden waren en verweerder het onderscheid tussen bouwland en grasland voldoende had toegelicht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de randvoorwaardenkorting van 3% wegens niet-emissiearm aanwenden van meststoffen wordt ongegrond verklaard.