Deze zaak betreft het hoger beroep van een Ierse luchtvaartmaatschappij tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die haar had beboet wegens meerdere overtredingen bij het online aanbieden van vliegtickets aan Nederlandse consumenten. De overtredingen betroffen onder meer het niet opnemen van vaste en onvermijdbare administratiekosten in de definitieve prijzen, het uitsluitend in het Engels aanbieden van klantenservice terwijl de communicatie voorafgaand aan de transactie in het Nederlands plaatsvond, het ontbreken van een herstelmogelijkheid voor fouten tijdens het boekingsproces, en het niet vermelden van een elektronisch postadres op de website.
De rechtbank had de boetes vastgesteld op een totaalbedrag van € 324.000 na matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn. De luchtvaartmaatschappij betwistte onder meer de kwalificatie van de overtredingen, de hoogte van de boetes en de bevoegdheid van de ACM om handhavend op te treden. Het College van Beroep heeft de argumenten van de luchtvaartmaatschappij onderzocht, waaronder de interpretatie van het begrip 'beloven' in het kader van oneerlijke handelspraktijken en de vraag of een contactformulier een volwaardig alternatief is voor een e-mailadres.
Het College oordeelt dat de overtredingen bewezen zijn en dat ACM bevoegd was om handhavend op te treden. De interpretatie van 'beloven' is niet strikt letterlijk, maar omvat ook het wekken van de impliciete indruk dat klantenservice beschikbaar is. Het contactformulier bood geen gelijkwaardig alternatief voor een elektronisch postadres, omdat het beperkte functionaliteiten had en geen directe communicatie mogelijk maakte. De opgelegde boetes zijn evenredig geacht gelet op de ernst en duur van de overtredingen. Het beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.