Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2015 in de zaak tussen
[naam 1] , appellante
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
16 januari 2014 en een schriftelijke toelichting te geven op de facturen die ten grondslag liggen aan het kostenbesluit I.
Overwegingen
25 augustus 2011 de op het bedrijf van appellante aanwezige dieren (27 runderen, ongeveer 56 schapen, ongeveer 75 bonte geiten, ongeveer 72 witte geiten, 7 paarden, ongeveer 15 kippen, 4 honden en 6 katten) heeft onderzocht. In deze verklaring heeft Pump antwoord gegeven op de vragen (1) ‘Welk letsel/aandoening heeft u bij bovenvermelde dieren waargenomen ?’, (2) ‘In welke lichamelijke toestand heeft u de dieren aangetroffen?’, (3) ‘Wanneer is de aangetroffen toestand naar uw mening ontstaan?’, (4) ‘Waardoor is de aangetroffen toestand naar uw mening ontstaan?’, (5) ‘Is de gezondheid en/of het welzijn van de dieren naar uw mening benadeeld?’, (6) ‘Is - gelet op de toestand waarin de dieren werden aangetroffen - naar uw mening sprake van het onthouden van de nodige verzorging van de dieren?’, (7) ‘Hebben de dieren naar uw mening pijn?’, (8) ‘Is herstel van de dieren ter plaatse mogelijk of dienen de dieren voor herstel rechtstreeks naar een diergeneeskundige praktijk of kliniek gebracht te worden?’ (9) ‘Welke diergeneeskundige handelingen en/of verzorging stelt u voor en, binnen welke termijn? (Kan eigenaar dit zelf of is diergeneeskundige hulp of andere hulp noodzakelijk)’, (10) ‘Heeft u diergeneeskundige handelingen uitgevoerd? Zo ja, welke, voor welk dier en waarom?’, (11) ‘Welke andere maatregelen dienen genomen te worden om het benadeelde welzijn van de dieren op te heffen? (kan eigenaar dit op korte termijn zelf of is andere hulp noodzakelijk)’ en (12) Acht u het noodzakelijk dat de dieren worden meegevoerd en opgeslagen in belang van de gezondheid/het welzijn van de dieren? Zo ja, toelichten’. Meer in het bijzonder heeft Pump op de vragen 4, 5, 6, 7, 8 en 12 het volgende geantwoord:
De aangetroffen toestand is door het ontbreken van de nodige verzorging (basisverzorging zoals b.v. hoef bekappen, klauwbekappen, vachtverzorging, huisvesting, voorzieningen voor voer) als ook onthouden van diergeneeskundige zorg) ontstaan. (…)
Ja, de gezondheid en het welzijn van de dieren is benadeeld door het ontbreken van een doordachte goed georganiseerde structurele verzorging van de dieren. Ook het ontbreken van deels adequate huisvesting of voorzieningen voor het schuilen en het ontbreken van adequate voorzieningen voor voeder en de aanwezigheid van spitse uitstekende obstakels benadelen de gezondheid en het welzijn. De basisverzorging van de hoeven en klauwen is onvoldoende en het onthouden en/of te laat inschakelen van diergeneeskundige zorg heeft evenzo de gezondheid en het welzijn benadeeld.
24 augustus 2011 en 25 augustus 2011 uiteengezet dat de geconstateerde staat van gezondheid en welzijn van de dieren van appellante dermate is aangetast dat zij daarmee de artikelen 36, eerste en derde lid, 37 en 38 van de Gwd, zoals die bepalingen luidden ten tijde hier van belang, en de artikelen 3, derde lid, 4, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 5, tweede en vierde lid, en 6, eerste lid, van het Besluit welzijn productie dieren (Besluit), zoals die bepalingen luidden ten tijde hier van belang, heeft overtreden. Bij dit besluit heeft verweerder appellante gelast om voor 20 september 2011 de volgende – kort weergegeven – vijftien maatregelen te nemen:
2. het verzorgen van de vacht van geiten, schapen en honden;
3. het verzorgen en zo nodig afzonderen van dieren die ziek of gewond lijken;
4. het opstellen van een preventief behandelplan in samenwerking met de dierenarts;
5. het zorgen voor een toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer;
6. het zorgen voor schone en droge ligplekken voor de dieren;
7. het zorgen voor een schone en droge schuilstal voor de dieren die buiten zijn gehuisvest;
8. het zodanig huisvesten van mannelijke en vrouwelijke dieren dat de mogelijke gevolgen van rivaliteit, inteelt, overbelasting en onnodige stress tot een minimum worden beperkt;
9. het opzetten van een weidemanagement;
10. het verwijderen dan wel repareren van scherpe en uitstekende delen waaraan de dieren zich kunnen verwonden;
11. het zodanig voeren van de dieren dat de wijze van toediening geen onnodig lijden met zich brengt en er geen gevaar voor verontreiniging van het voer is;
12. het onmiddellijk op passende wijze verzorgen van honden met gedragsproblemen;
13. het bijhouden van verleende medische zorg en het aantal sterfgevallen in een register;
14. ervoor zorgdragen dat de dieren worden verzorgd door een voldoende aantal ter zake kundige personen;
15. het bij de dieren aanwezig hebben van hun identificatiedocumenten.
De aangetroffen toestand is door het ontbreken van de nodige verzorging door deskundig personeel (basisverzorging, huisvesting, voorzieningen voor voer) als ook onthouden van diergeneeskundige zorg ontstaan. De uitgevoerde diergeneeskundige zorg is niet adequaat.
Ja, de gezondheid en het welzijn van de dieren is benadeeld door het ontbreken van een doordachte goed georganiseerde structurele verzorging van de dieren. De eigenaresse heeft onvoldoende inspanning gedaan om de (…) gevorderde maatregelen voor de verbetering van de gezondheid en het welzijn van de dieren uit te voeren en / of uit te laten voeren.
29 september 2011 een telefoongesprek heeft gehad met appellante omdat er onvoldoende vooruitgang was op het bedrijf met betrekking tot de in het primaire besluit gesignaleerde punten. In deze verklaring geeft Pump voorts antwoord op de hiervoor onder 1.2 weergegeven vragen. Meer in het bijzonder heeft zij op de vragen 3, 5, 8 en 12 het volgende geantwoord:
Het niet of onvoldoende uitvoeren van de opgedragen maatregelen heeft de toestand / conditie van de meeste dieren niet of onvoldoende verbeterd en is zelfs bij een aantal dieren verslechterd. De toestand van een klein aantal dieren is wel iets verbeterd. Vooral de inadequate diergeneeskundige zorg en het deels ontbreken van diergeneeskundige zorg in combinatie met de slechte huisvestingssituatie leidt tot een steeds zorgelijkere situatie voor de dieren, waardoor de gezondheid en het welzijn van de dieren ernstig benadeeld wordt. De dieren lijden zichtbaar onder deze situatie.
Ja, de gezondheid en het welzijn van de dieren is benadeeld door het ontbreken van een doordachte goed georganiseerde structurele verzorging van de dieren. De eigenaresse heeft onvoldoende inspanning gedaan om de (…) gevorderde maatregelen voor de verbetering van de gezondheid en het welzijn van de dieren uit te voeren en / of uit te laten voeren.
03-10-2011) voor het uitvoeren van de te nemen gevorderde maatregelen is verstreken.
€ 15.229,25 en de opbrengst van de paarden € 906,- bedraagt.
11 februari 2014 ingediende stukken en meer in het bijzonder de Diergeneeskundige Verklaringen II, III en IV buiten beschouwing moet laten, omdat zij zich daartegen thans niet meer kan verdedigen, faalt evenzeer. Daargelaten of appellante eerst vanaf 11 februari 2014 bekend was met die stukken dan wel of zij daarvan eerder kennis had kunnen en dus ook had moeten nemen, moet worden vastgesteld dat appellante in haar brief van 24 april 2014 slechts ten aanzien van één in de Diergeneeskundige Verklaring II en vijf in de Diergeneeskundige Verklaring III genoemde bevinding(en) heeft gesteld dat zij zich tegen die bevindingen niet kan verdedigen. Aangezien zij die stelling niet nader heeft geconcretiseerd en het enkele tijdsverloop niet zonder meer met zich brengt dat appellante zich niet tegen genoemde stukken kan verdedigen, moet worden geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in haar verdedigingsbelangen is geschaad. Het College zal de door verweerder eerst bij brief van 11 februari 2014 ingediende stukken dan ook in de beoordeling van het beroep betrekken.
25 augustus 2011 maatregelen heeft genomen, moet, zoals volgt uit het voorgaande, worden geoordeeld dat – kort gezegd – die maatregelen onvoldoende waren om de nodige veranderingen op het bedrijf van appellante te realiseren. Dat, zoals appellante heeft aangevoerd, het haar intentie was om de dieren vóór 1 november 2011 mee te nemen naar Frankrijk dan wel als dat niet mogelijk zou zijn, de dieren te verkopen, is, mede gezien de aard en de ernst van de aan de orde zijnde overtredingen, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van handhaving had moeten afzien. Daarbij komt dat moet worden betwijfeld of de dieren, gezien hun conditie, wel transportwaardig waren. Verweerder is dus op goede gronden ervan uitgegaan dat appellante kennelijk niet uit eigen beweging van plan dan wel in staat was om op korte termijn maatregelen te treffen om de overtredingen te beëindigen. Voor het overige slaagt de beroepsgrond dus niet.
4 oktober 2011 en 5 oktober 2011 terecht is overgegaan tot het meevoeren en opslaan van de in de processen-verbaal van respectievelijk 28 september 2011, 6 oktober 2011,
6 oktober 2011 en 10 oktober 2011 genoemde dieren, zoals hiervoor weergegeven onder het kopje “De feiten en omstandigheden”. Uit de Diergeneeskundige Verklaringen II, III en IV, zoals hiervoor weergegeven onder vermeld kopje, blijkt dat Pump op 20 september 2011,
30 september 2011 en 3 oktober 2011 de vraag onder ogen heeft gezien of zij het noodzakelijk achtte dat de dieren worden meegevoerd en opgeslagen in het belang van de gezondheid en welzijn van de dieren en dat Pump haar antwoord telkens ten aanzien van de genoemde dieren gemotiveerd heeft toegelicht. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanknopingspunt om niet van die Diergeneeskundige Verklaringen uit te gaan. Dat de Diergeneeskundige Verklaringen III en IV niet zijn ondertekend, betekent niet dat die verklaringen om die reden buiten beschouwing moeten blijven dan wel dat daaraan geen betekenis toekomt. Het College ziet enkel in het ontbreken van haar handtekening geen reden om eraan te twijfelen dat deze verklaringen zijn opgesteld door Pump, nu zij ter zitting van het College aanwezig was en er daarbij blijk van heeft gegeven de verschillende controles te hebben uitgevoerd en achter de daarin neergelegde bevindingen te staan. Meer in het bijzonder overweegt het College verder als volgt.
21 september 2011, stelt het College vast dat Pump hierover in de Diergeneeskundige Verklaring II heeft vermeld dat dit dient in het belang van de gezondheid en welzijn van die dieren en dat behandeling en verzorging van die dieren ter plekke niet kan worden uitgevoerd. Hoewel, zoals appellante terecht heeft opgemerkt, de conditie van de paarden goed was, moet worden vastgesteld dat appellante de hoeven van de paarden nog steeds niet had bekapt en dat, zoals ter zitting van het College van de kant van verweerder nader is toegelicht en niet is weersproken door appellante, het kappen van de hoeven niet kon plaatsvinden op het bedrijf van appellante, omdat de paarden daarvoor te wild waren en er op het bedrijf geen kraal aanwezig was. Het College deelt dan ook niet het standpunt van appellante dat de paarden ter plekke verzorgd konden worden.
€ 16.135,25. In de brief van 30 april 2015 heeft verweerder uiteengezet dat de in het afwikkelingsformulier van 16 februari 2012 weergegeven opbrengst van € 13.447,25 bestaat uit € 13.068,- voor 28 runderen, € 3,- voor hanen en kippen en € 376,25 voor 28 geiten en dat voor de 158 geiten en 2 schapen van appellante in totaal € 2.150,- is geboden en dat de
€ 376,25 (voor de 28 geiten) is berekend door € 2.150,- te delen door 160 en de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met 28. Voorts heeft verweerder uiteengezet dat het totaalbedrag van de opbrengst van de dieren minus de paarden € 15.220,50 behoort te zijn in plaats van € 15.229,25, waarvan € 13.447,25 de verkoopopbrengst is voor de runderen, kippen en hanen en 28 geiten en € 1.773,25 (€ 2.150,- minus € 376,25) de verkoopopbrengst is voor de overige geiten en twee schapen, alsook dat de rekenfout in het voordeel is van appellante. Verweerder heeft in het kostenbesluit II aldus de verkoopopbrengst van de overige 130 geiten betrokken. Dit betekent dat het beroep gericht tegen het kostenbesluit I gegrond is en dat dit besluit wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.
24 april 2014 weliswaar heeft gesteld dat zij een aantal facturen betwist waarvan zij niet kan zien waarop die betrekking hebben omdat daarop informatie is weggelakt, maar appellante heeft de betreffende facturen daarin niet concreet benoemd. Anders dan appellante stelt is overigens op de facturen waarop informatie is weggelakt niet slechts het bedrag zichtbaar, maar in ieder geval ook een omschrijving van de in rekening gebrachte handeling en de factuurdatum. Eerst ter zitting van het College van 5 maart 2015 heeft appellante een aantal facturen concreet benoemd en – kort gezegd – de juistheid van die factuur betwist. Het College zal de betwisting van die facturen wegens strijd met de goede procesorde, met name gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, buiten beschouwing laten. Appellante had die facturen in een eerder stadium concreet kunnen en dus ook moeten benoemen.
Beslissing
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op maatregel 14;
- herroept het primaire besluit voor zover dit betrekking heeft op maatregel 14 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- verklaart het beroep gericht tegen het kostenbesluit I gegrond;
- vernietigt het kostenbesluit I;
- verklaart het beroep gericht tegen het kostenbesluit II ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,- aan appellante te vergoeden.
mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2015.