1.9Appellante heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In dat bezwaarschrift heeft appellante onder verwijzing naar de daarbij gevoegde stukken uiteengezet dat het project ten dele is uitgevoerd, dat dit is vastgesteld door medewerkers van verweerder, dat het totaalbedrag van de kosten € 249.691,- bedraagt en dat het bijbehorende subsidiebedrag
€ 99.876,- bedraagt.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Hiertoe heeft verweerder uiteengezet dat hij in de aanvraagperiode tot subsidievaststelling geen aanvraag of reactie van appellante heeft ontvangen, dat hij nadien bij brief van
31 januari 2014 een extra termijn heeft gegeven waarbinnen de aanvraag moet zijn ingediend, dat hij (de toenmalige gemachtigde van) appellante op 13 februari 2014 telefonisch heeft benaderd om te bewerkstelligen dat uiterlijk 14 februari 2014 (eventueel een onvolledige) aanvraag wordt ingediend, dat dit zonder resultaat is geweest en dat hij de subsidie terecht ambtshalve op nihil heeft vastgesteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die zodanige nadelige gevolgen met zich brengen dat redelijkerwijs van het op nihil vaststellen van de subsidie moet worden afgezien. Van een onevenredige belangenafweging is volgens verweerder niet gebleken.
3. Vooraf overweegt het College, dat de mededeling van appellante in het beroepschrift dat zij verzoekt de gronden die in het bezwaarschrift naar voren zijn gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen – zonder daarbij aan te geven in welk opzicht, in haar visie, de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend was – onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar het College op dient in te gaan (zie de uitspraak van het College van 31 mei 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW7462). 4. Appellante heeft aangevoerd dat de handhaving van het besluit tot vaststelling van de subsidie op nihil bij het bestreden besluit onevenredig is en onzorgvuldig is voorbereid, terwijl het bestreden besluit bovendien niet deugdelijk is gemotiveerd. Appellante heeft er op gewezen dat de vaststelling op nihil voor haar onevenredige gevolgen heeft. Verweerder heeft de nihil stelling gebaseerd op een administratieve en niet op een inhoudelijke reden. De gesubsidieerde activiteiten zijn volledig door appellante verricht. Daarmee heeft appellante een bijdrage heeft geleverd aan de doelstelling van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (de Verordening) en de Regeling. De onevenredigheid wordt onderstreept doordat appellante niet is gewezen op de mogelijke gevolgen van een indiening buiten de gestelde termijn terwijl geen sprake is van zwaarwegende belangen die nopen tot een ingrijpend besluit als nihil vaststelling. Onder verwijzing naar de uitspraken van het College van 27 maart 2003 (ECLI:NL:CBB:2003:AF7108) en 31 januari 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AS4481) heeft appellante erop gewezen dat voor de evenredigheidstoetsing mede van belang is of de subsidieontvanger is gewezen op de mogelijkheid dat de subsidie ambtshalve op nihil kan worden vastgesteld indien niet binnen de gestelde termijn een vaststellingsaanvraag wordt gedaan of dat is aangekondigd dat de subsidie op nihil zal worden vastgesteld. In de brieven noch in de telefonische contacten tussen appellante en verweerder werd gewezen op de mogelijkheid van nihil vaststelling, terwijl de toenmalige gemachtigde van appellante vrijwel dagelijks in contact stond met verweerder. Omdat uitstelverzoeken gewoonlijk worden gehonoreerd en de toenmalige gemachtigde van appellante zich niet eerder geconfronteerd zag met een nihilstelling vanwege te late indiening van een aanvraag, heeft hij erop vertrouwd dat medewerking zou worden verleend en werd hij verrast door de vaststelling op nihil. Voorts heeft appellante erop gewezen dat de Verordening en de Regeling er niet aan in de weg staan dat de subsidie na het verstrijken van de gestelde termijn alsnog wordt vastgesteld. Appellante acht onbegrijpelijk dat in het bestreden besluit staat dat verweerder zwaarwegende belangen heeft in de vorm van een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Regeling en het tijdig kunnen verantwoorden van uitbetaalde subsidiegelden. Ook wanneer de subsidie wordt vastgesteld na het verstrijken van de termijn, resteert er nog voldoende tijd voor de uitvoering van de Regeling. Dat van zwaarwegende belangen geen sprake is blijkt ook uit de suggestie in het bestreden besluit dat een onvolledige aanvraag had kunnen worden ingediend, wat immers tot verlenging van de gestelde termijn zou hebben geleid omdat verweerder een termijn moet geven om de aanvraag aan te vullen. 5. Over deze beroepsgrond overweegt het College als volgt.
6. Vast staat dat appellante geen aanvraag tot subsidievaststelling heeft ingediend binnen de daartoe gestelde termijn. Verweerder was dus bevoegd de subsidie ambtshalve vast te stellen (artikel 4:44, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 4:47, aanhef en onder b, van de Awb). Naar het oordeel van het College heeft verweerder de subsidie met toepassing van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb in redelijkheid op nihil kunnen vaststellen. Meer in het bijzonder overweegt het College hiertoe als volgt.
7. In hetgeen appellante heeft aangevoerd bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerder ten aanzien van appellante onzorgvuldig heeft gehandeld. Van belang is dat verweerder appellante bij brief van 30 oktober 2013 eraan heeft herinnerd dat de uiterlijke inleverdatum van de aanvraag tot subsidievaststelling 30 december 2013 is, dat verweerder appellante op 30 december 2013 uitstel heeft verleend voor het indienen van die aanvraag tot 14 januari 2014 en dat verweerder na afloop van die termijn appellante bij brief van
31 januari 2014 opnieuw in de gelegenheid heeft gesteld die aanvraag in te dienen. Uit de door appellante genoemde uitspraken van het College kan niet worden afgeleid dat de subsidie alleen dan op nihil kan worden vastgesteld, indien daarop voorafgaand aan die vaststelling is gewezen. Voor appellante had het als professionele marktpartij, bijgestaan door een op het gebied van subsidies gespecialiseerde gemachtigde, duidelijk moeten zijn dat het (tijdig) indienen van een aanvraag tot subsidievaststelling belangrijk is en dat verweerder ambtshalve de subsidie lager en dus ook op nihil kan vaststellen indien geen aanvraag om subsidievaststelling is ingediend. Dat verweerder aan appellante niet heeft meegedeeld dat de subsidie op nihil kan of zal worden vastgesteld indien appellante geen aanvraag om subsidievaststelling indient, betekent dan ook niet dat verweerder ter zake onzorgvuldig heeft gehandeld dan wel dat verweerder de subsidie in redelijkheid niet op nihil heeft kunnen vaststellen. Hoewel appellante terecht heeft opgemerkt dat blijkens de aantekening op het e-mailbericht van 15 januari 2014 het kennelijk verweerders voorkeur had dat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie volledig zou worden ingediend, moet worden vastgesteld dat verweerder appellante daarna bij brief van 31 januari 2014 opnieuw in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag in te dienen en dat verweerder (de toenmalige gemachtigde van) appellante op 13 februari 2014 telefonisch heeft benaderd om te bewerkstelligen dat uiterlijk 14 februari 2014 (eventueel een onvolledige) aanvraag zou worden ingediend. Appellante mocht er dus niet meer op vertrouwen dat de voorkeur van verweerder voor een buiten de termijn ingediende volledige aanvraag zwaarder zou wegen dan een binnen de termijn ingediende onvolledige aanvraag. Dat de brief van 31 januari 2014 automatisch is opgemaakt en kennelijk niet is toegesneden op het concrete geval en dus ook geen rekening houdt met de termijn die daadwerkelijk nodig is om de aanvraag tot vaststelling van de subsidie te doen, doet niets af aan het gegeven dat verweerder reeds op 30 december 2013 met appellante heeft afgesproken dat uitstel tot 14 januari 2014 akkoord is en dat verweerder, na vastgesteld te hebben dat appellante ook op 14 januari 2014 nog geen aanvraag had ingediend, appellante bij brief van 31 januari 2014 opnieuw een termijn van twee weken heeft gegeven om een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen. Appellante heeft bovendien niet binnen die termijn van twee weken – ook niet op
13 februari 2014 toen verweerder haar (toenmalige gemachtigde) heeft benaderd – aan verweerder kenbaar gemaakt dat die termijn van twee weken te kort was om de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in te dienen dan wel een onvolledige aanvraag ingediend zoals verweerder op 13 februari 2014 had gesuggereerd, maar heeft ermee volstaan buiten die termijn een verzoek om uitstel in te dienen en heeft aldus het risico aanvaard dat verweerder de aanvraag tot subsidievaststelling ambtshalve zou vaststellen op nihil.
8. Niet kan worden staande gehouden dat de gevolgen van de ambtshalve vaststelling op nihil van de verleende subsidie voor appellante onevenredig zijn in verhouding tot de met het gehandhaafde besluit te dienen doelen, bestaande uit, zoals verweerder in het verweerschrift onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 27 maart 2003 (hiervoor aangehaald) heeft uiteengezet, het tijdig kunnen uitvoeren van de voor een juiste beoordeling van de verleende subsidie vereiste controle en het beheersen van de administratieve afhandeling van de aanvragen. Hoewel appellante terecht heeft opgemerkt dat de Verordening er niet aan in de weg staat dat de subsidie op een later moment zou worden vastgesteld, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid groter belang heeft kunnen hechten aan die met het besluit te dienen doelen. Verweerder heeft appellante, zoals volgt uit het voorgaande, voldoende gelegenheid geboden om de aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen, terwijl appellante geen reden heeft genoemd op grond waarvan het voor haar niet mogelijk was om vóór 14 februari 2014 een desnoods onvolledige aanvraag in te dienen. Weliswaar heeft appellante nog aangevoerd dat zij de gesubsidieerde activiteiten volledig heeft verricht en dat zij daarmee een bijdrage heeft geleverd aan de doelstelling van de Verordening en de Regeling, maar vastgesteld moet worden dat appellante geen vaststellingsaanvraag bij verweerder heeft ingediend, zodat niet op objectieve wijze kan worden vastgesteld of de gesubsidieerde voorzieningen overeenkomstig de Regeling zijn uitgevoerd (vergelijk de uitspraak van het College van
27 maart 2003, hiervoor aangehaald).
9. Dit betekent dat de beroepsgrond niet slaagt.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.