Uitspraak
[A] B.V.,
[B] B.V.,
[C] B.V.,
[D] B.V.,
[E] B.V.,
1.Het procesverloop in hoger beroep
Bij brief van 18 juli 2011 heeft betrokkene een reactie op het (aanvullend) beroepschrift ingediend.
Bij brief van 9 november 2012 hebben appellanten nadere producties overgelegd.
Namens appellanten is [G] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. drs. M.H.G. Plieger. Voorts is voor appellanten verschenen [H], controller.
Betrokkene is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.W. Renes.
2.De uitspraak van de accountantskamer
Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd.
3.De beoordeling van het hoger beroep
2. De accountantskamer heeft ten onrechte de opdracht van appellanten aan betrokkene als een samenstellingsopdracht gekwalificeerd, althans onvoldoende betekenis toegekend aan het feit dat de opdracht ruimer was dan een samenstellingsopdracht, nu die opdracht tevens het voeren van de financiële administratie inhield. Voorts heeft de accountantskamer ten onrechte betekenis toegekend aan de door directieleden van appellanten ondertekende letters of representation (hierna: LOR’s).
3. Appellanten voeren ten slotte aan dat de accountantskamer de diverse klachtonderdelen ten onrechte ongegrond heeft verklaard en dat de bestreden uitspraak onvoldoende is gemotiveerd. Appellanten hebben in hoger beroep hun klachtonderdelen – met uitzondering van klachtonderdeel A.XVII – gehandhaafd en zij hebben ter onderbouwing van deze klachtonderdelen voorts verwezen naar hetgeen zij in hun klaagschrift hieromtrent hebben aangevoerd.
Op de onderhavige opdracht was voorts de richtlijn voor accountantscontrole 4410 Opdrachten tot het samenstellen van financiële overzichten (hierna RAC 4410) van toepassing.
Het College zal per grief / klachtonderdeel beoordelen in hoeverre sprake is geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Betrokkene heeft betwist dat hij tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het handelen van [K].
Dat betekent evenwel niet dat betrokkene, zoals hij in het verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd, niet tevens tuchtrechtelijk verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden voor (een deel van) de werkzaamheden die [K] heeft verricht vanaf het tijdstip dat zij als AA is ingeschreven. Indien de door betrokkene samengestelde jaarrekeningen, zoals appellanten hebben betoogd, als gevolg van door [K] gemaakte fouten of omissies materiële onjuistheden zouden bevatten, zou betrokkene daarvoor verantwoordelijk kunnen worden gehouden. In dat geval zou immers moeten worden geoordeeld dat hij de door haar aangeleverde gegevens heeft geaccepteerd zonder de juistheid daarvan afdoende te hebben geverifieerd. Weliswaar bestaat, zoals het College eerder in zijn uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BT5903 heeft overwogen, in beginsel geen verificatieplicht bij het opstellen van een samenstellingsverklaring en ligt de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de in de samenstellingsverklaring neergelegde informatie primair bij de opdrachtgever daarvan, maar het onderhavige geval is in die zin anders dat, zoals hiervoor is overwogen, de opdracht tevens het verzorgen van de financiële administratie omvatte, waarbij de financiële administratie werd verzorgd door kantoorgenoot [K]. In een dergelijk geval mag van een zorgvuldig handelende accountant worden verwacht dat hij voldoende toezicht op zijn kantoorgenoot uitoefent om te vermijden dat als gevolg van onjuiste aanlevering of interpretatie van door de kantoorgenoot vergaarde informatie onjuistheden van materieel belang in de jaarrekening worden opgenomen. In het onderhavige geval was betrokkene ook feitelijk bij de werkzaamheden van [K] betrokken, nu ter zitting is komen vast te staan dat [K] betrokkene raadpleegde als er bijzonderheden waren. Voorts wijst het College erop dat ingevolge paragraaf 15 RAC 4410 bij een opdracht tot het samenstellen van financiële informatie de accountant de samengestelde informatie dient door te nemen en een afweging dient te maken of deze informatie vooralsnog toereikend van opzet en vrij van mogelijke onjuistheden van materieel belang lijkt te zijn.
Ingevolge paragraaf 13 RAC 4410 wordt van de accountant in het algemeen niet verwacht dat hij bij de leiding van de entiteit inlichtingen inwint om de betrouwbaarheid en volledigheid van de verstrekte informatie te beoordelen, danwel verkregen informatie of ontvangen toelichtingen verifieert. Zoals hiervoor in 3.4 is overwogen ligt dit overigens anders voorzover het informatie betreft die door [K] is vergaard en die niet is terug te voeren op door appellanten verstrekte inlichtingen.
Met betrekking tot het jaar 2007 hebben appellanten aangegeven dat op de balans een Rabobankrekening is vermeld met een saldo van € 7.990,18, terwijl die rekening reeds in 2006 is opgeheven.
Betrokkene heeft niet betwist dat de bedoelde rekening in 2006 is opgeheven. Betrokkene heeft aangevoerd dat appellanten verantwoordelijk waren voor de aanlevering van de informatie dat de rekening is opgeheven, maar dat hij die informatie niet van appellanten heeft ontvangen. Betrokkene heeft in dit verband gewezen op de door de directieleden van appellanten ondertekende LOR’s, waarin is vermeld dat zij alle voor de jaarrekening benodigde informatie hebben verschaft.
Betrokkene heeft aangevoerd dat hij bij het opstellen van de versie van de jaarrekening over 2006 van september 2007 – dit is dezelfde versie als die in het klaagschrift is aangeduid als de “definitieve jaarrekening” – ervan is uitgegaan, op basis van door de directeur van appellante sub 1 gegeven informatie, dat appellante sub 5 zou worden “verhangen” naar een andere onderneming binnen de groep. Betrokkene stelt dat hij tijdens een begin oktober 2007 gehouden bespreking met klaagsters bestuur te horen kreeg dat de verhanging niet was doorgegaan. Daarop heeft hij die versie van de jaarrekening meteen teruggevraagd en ook de Rabobank van het terugnemen van die versie van de jaarrekening op de hoogte gesteld. Betrokkene stelt voorts dat hij de definitieve jaarrekening vervolgens op 29 januari 2008 heeft uitgebracht, dat de daarin opgenomen posten wél aansluiten bij de administratie over 2006 en dat de deelneming van appellante sub 1 in appellante sub 5 daarin eveneens is vermeld.
Betrokkene heeft dit niet betwist.
Betrokkene heeft aangevoerd dat appellante sub 1 de verliezen van appellante sub 5 heeft gedragen en de middelen ter voldoening van (een deel van) haar schulden heeft verschaft. Appellanten hebben dit niet betwist. Zij hebben ter zitting van de accountantskamer bevestigd dat appellante sub 1 in 2008 leningen heeft verstrekt aan appellante sub 5.
Het College is van oordeel dat nu vast staat dat appellante sub 1 na de balansdatum financiële middelen aan appellante sub 5 heeft verstrekt, betrokkene daaruit heeft kunnen afleiden dat per balansdatum het stellige voornemen heeft bestaan om appellante sub 5 tot betaling van haar schulden in staat te stellen, zodat hij daarvoor een voorziening mocht opnemen in de jaarrekening. Appellanten hebben niet onderbouwd waarom betrokkene het opnemen van deze voorziening met hen had moeten bespreken. Het College is evenals de accountantskamer van oordeel dat betrokkene in dit opzicht niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is dan ook terecht ongegrond verklaard en de grief faalt.
Betrokkene heeft aangevoerd dat appellanten dit klachtonderdeel baseren op een verkeerde versie van de jaarrekening 2006 en dat de door hen bedoelde fout in de op 29 januari 2008 uitgebrachte jaarrekening 2006 niet voorkomt.
Betrokkene heeft aangevoerd dat de afschrijving van € 500,-- over de maand december 2007 betrekking heeft op een nieuw gebouwd kantoorpand en dat het maximale afschrijvingspercentage is gehanteerd.
In hoger beroep hebben appellanten erop gewezen dat betrokkene in eerste instantie een onjuiste aangifte vennootschapsbelasting heeft gedaan en dat hij die aangifte pas veel later heeft gecorrigeerd. Het College acht deze grief onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan voorbij zal worden gegaan.
Betrokkene heeft aangevoerd dat de uiteindelijke correctieaangifte pas in december 2008 heeft plaatsgevonden doordat appellanten de kwartaalboekhoudingen 1 en 2 te laat hadden aangeleverd. Betrokkene heeft niet betwist dat appellante sub 2 niet over een schattingsvergunning beschikte.
Betrokkene heeft in reactie daarop aangevoerd dat hij geen bemoeienis heeft gehad met de overname van de aandelen in appellante sub 5. Hij heeft aangevoerd dat de overname geheel is begeleid en uitgewerkt door een advocaat van CMS Derks Star Busmann. In beroep heeft betrokkene aangevoerd dat hij nimmer de waarde van de aandelen van appellante sub 5 heeft vastgesteld en dat appellanten daarvoor ook geen opdracht hadden gegeven. Betrokkene heeft daarbij gewezen op de door appellanten als productie 12.2 bij hun klaagschrift overgelegde e-mail van 2 december 2005, waarbij betrokkene aan [G] de vraag stelde of er behoefte was aan overleg over (onder meer) de wijze waarop het belang in appellante sub 5 zou worden overgenomen. Volgens betrokkene heeft hij geen reactie op die vraag ontvangen en werd hij korte tijd later geconfronteerd met de effectuering van de overname.
Betrokkene heeft in reactie daarop een brief overgelegd van de Rabobank van 16 februari 2006, waaruit blijkt dat de vordering van de Rabobank vanwege de debetstand op de inmiddels opgeheven rekening op dat moment € 2.223,11 bedroeg. Voorts heeft betrokkene aantekeningen overgelegd ten aanzien van de jaarrekening 2007, waarin is vermeld dat het saldo op de ING rekening ultimo 2006 € 481,76 bedroeg.
In klachtonderdeel XIX stellen appellanten dat appellante sub 5 een bedrag van € 45.910,-- aan goodwill heeft betaald voor de verkrijging van de deelneming. Aangezien de deelneming echter in 2007 is verkocht, heeft betrokkene in de jaarrekening 2007 van appellante sub 5 ten onrechte een post goodwill opgenomen. Voorts is het volgens appellanten niet juist om op de balans van appellante sub 5 goodwill ter zake van de deelneming in appellante sub 4 op te nemen en tegelijkertijd een voorziening op te nemen voor het negatieve eigen vermogen van appellante sub 4. Appellanten stellen dat betrokkene ingeval van een negatief eigen vermogen van appellante sub 4 de door appellante sub 5 betaalde goodwill had moeten herwaarderen of afwaarderen.
Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat appellanten hem nimmer over de verkoop en levering van de deelneming hebben geïnformeerd en dat goodwill niet afgewaardeerd hoeft te worden als de verwachting is dat de vennootschap in de toekomst weer winstgevend is.
In klachtonderdeel B.III stellen appellanten dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan de door hem op zich genomen verplichting als neergelegd in de vaststellingsovereenkomst om de jaarrekening van appellante sub 5 binnen één week en de jaarrekeningen van appellanten sub 1 en 4 binnen twee weken na de ondertekening van die overeenkomst op te leveren. Appellanten benadrukken in beroep dat betrokkene deze verplichting zonder voorbehoud op zich heeft genomen en dat het dan niet aangaat om de oorzaak voor het vertraagd uitbrengen van de jaarrekeningen (op 26 maart 2009) vervolgens bij appellanten te leggen.
Het College is met de accountantskamer van oordeel dat het een accountant in beginsel vrij staat om gepaste (rechts)maatregelen te nemen tegen een niet betalende cliënt. In het onderhavige geval is niet aannemelijk geworden dat bij het overleg teneinde te komen tot de vaststellingsovereenkomst van november 2008 een onvoldoende of onjuiste afweging heeft plaatsgevonden tussen het belang van (het kantoor van) betrokkene om de openstaande facturen betaald te krijgen en de belangen van appellanten bij het samenstellen van de jaarrekeningen 2007 en de afgifte van hun administratie. Voorzover de facturen in de onderhavige procedure al aan de orde zouden kunnen komen – het College verwijst hiervoor naar hetgeen hierna ten aanzien van klachtonderdelen C.I en C.II zal worden overwogen – merkt het College op dat appellanten niet hebben aangegeven welke financiële afspraken met betrokkene zijn gemaakt en hun stelling dat betrokkene overmatig zou hebben gefactureerd ook overigens onvoldoende hebben onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat appellanten – naar aanleiding van hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is weergegeven – inmiddels de gegrondheid van de vorderingen hebben laten onderzoeken en tot terugvordering van betaalde bedragen zijn overgegaan. Het College merkt voorts op dat bij de vaststellingsovereenkomst ruim een kwart van het op dat moment openstaande totaalbedrag aan facturen is gecrediteerd. Nu appellanten op dit punt verder niets hebben aangevoerd moet worden aangenomen dat betrokkene in de vaststellingsovereenkomst met de creditering, het voorbehoud van appellanten om de gegrondheid van de vorderingen alsnog te laten onderzoeken en de afspraken over het afgeven van de administratie aan appellanten en het op korte termijn opleveren van de jaarrekening, voldoende tegemoet is gekomen aan de belangen van appellanten. Van tuchtrechtelijke verwijtbaar handelen in dit opzicht is dan ook geen sprake.
Zoals hiervoor bij de beoordeling van de klachtonderdelen B.I, B.II en B.III is overwogen, hebben appellanten niet uiteengezet welke financiële afspraken met betrokkene zijn gemaakt en voorts hun stelling dat betrokkene overmatig zou hebben gefactureerd niet feitelijk onderbouwd. Ter zitting van de accountantskamer heeft betrokkene kennelijk gesteld dat vanaf het moment dat appellanten te kennen hebben gegeven daarop prijs te stellen maandelijks een specificatie van de facturen aan hen is gestuurd alsmede dat op 29 januari 2009 overzichten van alle bestede uren van medewerkers van [I] aan de advocaat van appellanten zijn verstrekt. De accountantskamer heeft vastgesteld dat appellanten deze stelling niet of onvoldoende hebben weersproken. Nu appellanten in hun beroepschrift evenmin op deze stelling zijn ingegaan, moet worden aangenomen dat de door appellanten verlangde specificaties van de facturen inmiddels zijn verstrekt. Het is het College duidelijk dat appellanten van mening zijn dat betrokkene – al dan niet rekening houdend met de in de vaststellingsovereenkomst van november 2008 overeengekomen creditering – te hoge bedragen heeft gedeclareerd. Dat betrokkene bewust onjuiste of misleidende facturen heeft opgemaakt is echter, nu appellanten hun stellingen op dit punt onvoldoende hebben geconcretiseerd, niet gebleken. Dit leidt het College tot het oordeel dat in dit opzicht niet van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is gebleken. Geoordeeld moet derhalve worden dat de accountantskamer deze klachtonderdelen terecht ongegrond heeft verklaard. De grief faalt.
Het College zal met toepassing van artikel 43 van Pro de Wet tuchtrechtspraak accountants, in samenhang met artikel 40 van Pro de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, de zaak zelf afdoen en klachtonderdelen A.II, A.III, A.IV, A.XI, A.XII, A.XV en A.XIX alsnog gegrond verklaren.