Toepasselijk rechtskader
In artikel 54, eerste lid, Verordening nr. 800/1999 is bepaald dat Verordening nr. 3665/87, waarvan Verordening nr. 800/1999 de opvolger is, wordt ingetrokken. Verordening nr. 3665/87 blijft wel van toepassing op de uitvoer waarvoor de aangifte ten uitvoer is aanvaard vóór 1 juli 1999.
In dit geval zijn de aangiften ten uitvoer waarop het terugvorderingsbesluit ziet, deels vóór en deels vanaf 1 juli 1999 aanvaard.
Voor het deel van de aangiften ten uitvoer dat vóór 1 juli 1999 is aanvaard, is dus Verordening nr. 3665/87 van toepassing. Het HvJ heeft in zijn arrest inzake SGS Belgium (arrest van 28 oktober 2010, zaak C‑367/09, punt 66) erop gewezen dat Verordening nr. 3665/87 geen regels geeft voor de verjaring van de terugvordering van ten onrechte ontvangen restituties bij uitvoer. Daarom moet volgens het HvJ worden verwezen naar artikel 3, eerste lid, eerste alinea, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
In artikel 3, eerste lid, eerste alinea, Verordening nr. 2988/95 is bepaald dat de verjaringstermijn van de vervolging vier jaar bedraagt vanaf de datum waarop de in artikel 1, eerste lid, bedoelde onregelmatigheid is begaan. In de tweede alinea is bepaald dat voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden de verjaringstermijn ingaat op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd.
Voor het deel van de aangiften ten uitvoer waarop het terugvorderingsbesluit ziet, dat vanaf 1 juli 1999 is aanvaard, is Verordening nr. 800/1999 van toepassing. In artikel 52, vierde lid, aanhef en onder b, eerste volzin, van Verordening nr. 800/1999 is bepaald dat de in lid 1 bedoelde verplichting tot terugbetaling niet van toepassing is indien tussen de dag waarop het definitieve besluit tot toekenning van de restitutie ter kennis van de begunstigde is gebracht, en de dag waarop een nationale of communautaire autoriteit de begunstigde voor het eerst heeft ingelicht over het feit dat de betrokken betaling niet verschuldigd was, meer dan vier jaar is verstreken.
Nu onder Verordening nr. 800/1999, anders dan onder haar voorganger, Verordening nr. 3665/87, geen betekenis meer toekomt aan een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid is het College van oordeel dat het overgangsrecht dat is neergelegd in artikel 54, eerste lid, van Verordening nr. 800/1999 aldus moet worden uitgelegd dat een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid geacht moet worden in ieder geval uiterlijk op 30 juni 1999 te zijn geëindigd. Een andere uitleg zou ertoe leiden, dat op vergelijkbare en op het zelfde moment plaatsvindende handelingen na 30 juni 1999, een verschillend verjaringsregime van toepassing zou zijn, afhankelijk van de vraag of de aanvang van een voortdurende of voortgezette reeks van handelingen vóór dan wel ná 30 juni 1999 gelegen was.