ECLI:NL:CBB:2012:BX7256
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- W.A.J. van Lierop
- E.R. Eggeraat
- A. Gerbrandy
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende feitelijke grondslag voor boete deelname bouwfraude-installatiesector
In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een boetebesluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) aan A B.V. wegens deelname aan verboden vooroverleg in de installatiesector, onderdeel van het bouwfraudeonderzoek. Het boetebesluit is gebaseerd op een rapport waarin een landelijk systeem van vooroverleg wordt vastgesteld. De rechtbank had het beroep van A B.V. deels gegrond verklaard vanwege methodologische bezwaren, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven gaat verder.
Het College oordeelt dat het rapport onvoldoende feitelijke grondslag biedt om vast te stellen dat A B.V. deelnam aan het in het rapport beschreven systeem van vooroverleg. Dit omdat het watersegment, waarin A B.V. actief is, een ander systeem van vooroverleg kende dan de rest van de installatiesector, met andere kenmerken zoals het gebruik van "blanken" en rekenvergoedingen. NMa heeft dit onvoldoende onderbouwd en weersproken.
Verder oordeelt het College dat de rechten van verdediging van A B.V. niet zijn geschonden, omdat zij toegang had tot het algemene dossier en het individuele bewijsdossier. Het College vernietigt daarom het boetebesluit en de daarop gebaseerde besluiten op bezwaar en verklaart het beroep gegrond. Tevens wordt NMa veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Tot slot constateert het College een overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurs- en gerechtelijke procedure en opent het een procedure voor schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding, waarbij de Staat der Nederlanden als partij wordt betrokken.
Uitkomst: Het College vernietigt het boetebesluit tegen A B.V. wegens onvoldoende bewijs van deelname aan het verboden vooroverleg.