ECLI:NL:CBB:2013:BZ5589

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
28 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/983 B
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

Appellante heeft een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure tegen de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft in een eerdere uitspraak vastgesteld dat zowel de bestuurlijke besluitvorming als de rechterlijke beoordeling in beroep en hoger beroep de redelijke termijn hebben overschreden.

NMa erkende een overschrijding van zes maanden in de bestuurlijke fase, waarvoor een schadevergoeding van €500 werd voorgesteld. Voor de rechterlijke fase werd een overschrijding van 1 jaar en 4 maanden vastgesteld, waarvoor de Staat een vergoeding van €1.500 voorstelde. Het College stemde in met deze bedragen en stelde de totale schadevergoeding vast op €2.000.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Het College veroordeelde NMa en de Staat om respectievelijk €500 en €1.500 aan appellante te betalen. Hiermee wordt het recht op een tijdige behandeling van bestuursrechtelijke zaken onderstreept en het belang van het voorkomen van onredelijke vertragingen benadrukt.

Uitkomst: Appellante ontvangt een schadevergoeding van in totaal €2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 09/983 28 februari 2013
9500
Uitspraak in de zaak van:
A., te X, appellante,
gemachtigde: mr. drs. J.F. Schutte, werkzaam bij Brabers corporate counsel te Den Haag,
tegen
de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, te Den Haag (hierna: NMa),
gemachtigden: mr. G.J. Rutten, mr. J.M. Strijker-Reintjes en L.M. Brokx, JD, LL.M, allen werkzaam bij NMa.
Waaraan voorts als partij deelneemt:
de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie; hierna: de Staat),
gemachtigde: drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak.
1. Het procesverloop
Bij uitspraak van 28 augustus 2012 (LJN BX7256) heeft het College beslist op het hoger beroep van appellante. Daarbij heeft het College bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de aan appellante op de voet van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te vergoeden schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden in de bestuurlijke en in de rechterlijke fase, en heeft het College de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Appellante, NMa en de Staat hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven over het verzoek om schadevergoeding. Voorts hebben appellante, NMa en de Staat schriftelijk toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten, waarop het College het onderzoek heeft gesloten.
2. De beoordeling van het verzoek
2.1 In zijn uitspraak van 28 augustus 2012 heeft het College vastgesteld dat de redelijke termijn voor de bestuurlijke besluitvorming alsmede de redelijke termijn voor de rechterlijke beoordeling in beroep en in hoger beroep zijn overschreden.
2.2 NMa heeft erkend dat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase in dit geval is overschreden met 6 maanden. Uitgaande van het in vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van het College van 3 maart 2009, LJN BH6281) gehanteerde bedrag van
€ 500,-- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden resulteert dit volgens NMa in een schadevergoeding van € 500,--. Mede gelet op de toelichting van appellante op haar verzoek om schadevergoeding waarin zij eveneens van dit bedrag uitgaat ziet het College aanleiding om de schadevergoeding voor appellante in de bestuurlijke fase in de door NMa voorgestane zin vast te stellen.
2.3 Ten aanzien van de rechterlijke fase in beroep en in hoger beroep tezamen staat vast dat de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden is overschreden. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vertraging aan de rechter is te wijten en dat er om die reden in de voorliggende zaak aanleiding bestaat aan appellante een vergoeding aan te bieden van eveneens € 500,-- per half jaar van de overschrijding. Dit resulteert in een schadevergoeding van € 1.500,--. Het College ziet aanleiding om de schadevergoeding voor appellante in de rechterlijke fase vast te stellen in de door de Staat voorgestane zin.
2.4 Gelet op het vorenstaande komt het College tot de slotsom dat het verzoek om schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt en appellante een bedrag van in totaal € 2.000,-- aan schadevergoeding toekomt.
2.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. De beslissing
Het College:
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
- veroordeelt NMa om aan appellante een schadevergoeding te betalen van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro);
- veroordeelt de Staat om aan appellante een schadevergoeding te betalen van € 1.500,-- (zegge: vijftienhonderd euro).
Aldus gewezen door mr. W.A.J. van Lierop, mr. E.R. Eggeraat en mr. A. Gerbrandy, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2013.
w.g. W.A.J. van Lierop w.g. A. Douwes