ECLI:NL:CBB:2009:BH3802

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/327
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvlootArt. 4 lid 3 Verordening (EG) nr. 718/1989Art. 6:100 BWArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen besluit schadevergoeding Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Appellante, V.O.F. A, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 april 2007 van de Minister van Verkeer en Waterstaat, waarbij haar verzoek om schadevergoeding wegens onjuist vastgestelde speciale bijdrage op grond van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot gedeeltelijk werd afgewezen.

Het geschil betreft de vergoeding voor te veel aangekochte slooptonnage die appellante noodgedwongen heeft aangeschaft door de foutieve bijdragevaststelling. Het College stelt vast dat vergoeding verschuldigd is voor het teveel gesloopte tonnage, berekend tegen de aankoopprijs exclusief BTW, vermeerderd met wettelijke rente.

Verweerder bracht een bedrag in mindering wegens een fiscaal voordeel in de vorm van investeringsaftrek, maar heeft dit standpunt na een arrest van de Hoge Raad aangepast. Het College oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft toegelicht hoe dit fiscale voordeel en het door appellante gestelde fiscale nadeel in de vergoeding worden verwerkt.

Daarnaast oordeelt het College dat het teveel gesloopte tonnage van het oude schip 'He-Jo' niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat dit voorafgaand aan het besluit tot speciale bijdrage plaatsvond en geen causaal verband bestaat.

Het College vernietigt het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt het College verweerder in de proceskosten en vergoedt het griffierecht aan appellante.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 07/327 22 januari 2009
14350 Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot
Uitspraak in de zaak van:
V.O.F. A, te B, appellante,
gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,
tegen
de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,
gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.
1. Het procesverloop
Bij uitspraak van 20 januari 2006 (AWB 04/1150, <www.rechtspraak.nl>, LJN AV0552) heeft het College het beroep van appellante tegen het besluit van 8 november 2004 inzake de vaststelling van een speciale bijdrage op grond van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voorzover hierin niet is beslist op het verzoek om schadevergoeding van appellante.
Bij besluit van 5 april 2007 heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante, waarbij het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk is afgewezen.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 mei 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Bij brief van 16 juli 2007 heeft appellante het beroep van gronden voorzien.
Bij brief van 12 september 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Bij brief van 4 september 2008 heeft verweerder het College een nader stuk doen toekomen.
Bij brief van 16 september 2008 heeft appellante het College nadere stukken doen toekomen.
Op 18 september 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of en tegen welk bedrag verweerder aan appellante een vergoeding verschuldigd is voor het door appellante nodeloos aangekochte slooptonnage ter voldoening aan de door verweerder opgelegde en aanvankelijk onjuist vastgestelde speciale bijdrage op grond van artikel 4 van Pro de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot. In dit verband hebben partijen verschillende argumenten aangevoerd die hierna worden besproken.
2.2 Het uitgangspunt van het College is dat, indien zoals in het onderhavige geval teveel tonnage is gesloopt als gevolg van een onjuiste vaststelling van de speciale bijdrage, voor vergoeding in aanmerking komt het bedrag dat wordt berekend door het teveel aangekochte slooptonnage te vermenigvuldigen met de prijs exclusief BTW die hiervoor is betaald. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de sloopuitgave tot aan de dag der algehele voldoening door verweerder. Het voorgaande blijkt uit onder meer de uitspraken van het College van 19 maart 2008 (AWB 04/696A, <www.rechtspraak.nl>, LJN BC8368) en 26 maart 2008 (AWB 05/100, <www.rechtspraak.nl>, LJN BC8367).
2.3.1 Verweerder heeft in het bestreden besluit op de door hem berekende vergoeding een bedrag in mindering gebracht betreffende een door appellante genoten belastingvoordeel in de vorm van een investeringsaftrek voor het mvs "He-Jo" ter hoogte van 34,5% van de aankoopprijs van het ter sloop aangekochte schip mvs "Tijl". Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008, nr. 43 497 (<www.rechtspraak.nl>, LJN BA4720) heeft verweerder ter zitting dit standpunt verlaten. Daarvoor in de plaats stelt verweerder bij zijn bepaling van het met de schadevergoeding te verrekenen belastingvoordeel thans dat appellante het voor de slooptonnen betaalde bedrag over een periode van 15 jaar met 6,67% per jaar mag afschrijven als kosten ten behoeve van de exploitatie van de onderneming. Deze kosten worden in mindering gebracht op de belastbare winst, waardoor appellante als voordeel heeft dat zij minder vennootschapsbelasting afdraagt aan de fiscus.
2.3.2 Het deel van het slooptonnage afkomstig van het oude midden- en voorschip van de "He-Jo" dat de speciale bijdrage overstijgt, komt volgens verweerder niet voor vergoeding in aanmerking. De aankoop hiervan heeft immers plaatsgevonden voorafgaand aan het in de vaart brengen van het vernieuwde mvs "He-Jo", terwijl op grond van artikel 4, derde lid, van Verordening (EG) nr. 718/1989 de eigenaar van het in de vaart te brengen schip die meer tonnage heeft laten slopen dan nodig is, daarvoor geen financiële compensatie ontvangt. Voorts is het genoemde surplus aan slooptonnage niet extra aangekocht als gevolg van de aanvankelijk onjuist vastgestelde speciale bijdrage.
2.4 Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerder genoemde posten ten onrechte in mindering heeft gebracht op de vergoeding. Zij voert hiertoe aan dat geen sprake is van een fiscaal voordeel in de vorm van investeringsaftrek. Appellante zal juist fiscaal nadeel lijden als gevolg van de heffing ineens over de uit te keren vergoeding. Artikel 6:100 BW Pro en het arrest van 25 november 1955, nr. 29 van de Hoge Raad staan bovendien aan de door verweerder toegepaste voordeelstoerekening in de weg. Verweerder stelt voorts ten onrechte dat het teveel gesloopte tonnage van het oude midden- en voorschip van de "He-Jo" niet voor vergoeding in aanmerking komt.
2.5 Het College overweegt ten aanzien van de investeringsaftrek dat verweerder niet heeft aangegeven wat de consequenties zijn van het door hem naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008 ter zitting ingenomen standpunt - betreffende de bepaling van een gesteld fiscaal voordeel van appellante - voor de berekening van de onderhavige vergoeding. Evenmin heeft verweerder een standpunt betrokken over het door appellante aan de orde gestelde fiscale nadeel. Het is aan verweerder een en ander alsnog te doen.
2.6 Dat verweerder geen vergoeding toekent voor het teveel gesloopte tonnage van het oude midden- en voorschip van de "He-Jo" acht het College juist, nu hiervoor geen grondslag is aan te wijzen. Aangezien deze sloop plaatsvond op een datum voorafgaand aan het besluit tot oplegging van de speciale bijdrage, kan de sloop niet het gevolg zijn geweest van onrechtmatige besluitvorming door verweerder en ontbreekt het voor toewijzing van schadevergoeding vereiste causale verband.
2.7 Het voorgaande betekent voor de onderhavige zaak het volgende. Vaststaat dat appellante als gevolg van de foutieve vaststelling van de speciale bijdrage door verweerder 114 slooptonnen teveel heeft aangekocht, die derhalve voor vergoeding door verweerder in aanmerking komen. Het gaat hierbij uitsluitend om slooptonnen van het als laatste aangekochte schip "Tijl". De prijs per sloopton van dit schip bedraagt € 80,-- exclusief BTW. De vergoeding wordt berekend door 114 te vermenigvuldigen met € 80,--.
Hiermee dient te worden verrekend (de contante waarde van) het eventueel door appellante genoten fiscaal voordeel, zoals hiervoor overwogen onder 2.5.
Het resultaat dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de betaling door appellante van het slooptonnage van het mvs "Tijl" - te weten 9 oktober 2002 - tot en met 1 mei 2007 zijnde de dag waarop verweerder
€ 5.973,60 aan schadevergoeding heeft betaald aan appellante. Het resterende te vergoeden bedrag dient te worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 mei 2007 tot aan de dag der algehele voldoening door verweerder.
2.8 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd en het beroep gegrond dient te worden verklaard.
2.9 Het College ziet termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten die appellante voor deze procedure heeft gemaakt. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1, ad € 322,- per punt).
3. De beslissing
Het College:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 april 2007 gegrond;
- vernietigt dit besluit en draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig
euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante vergoedt het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal
€ 285,-- (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro).
Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. F. Stuurop en mr. H.O. Kerkmeester in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2009.
De voorzitter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
w.g. F. Stuurop w.g. C.M. Leliveld