ECLI:NL:CBB:2009:BH3316
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- J.L.W. Aerts
- J. Borgesius
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet verplichte deelneming bedrijfstakpensioenfonds
Stichting A had in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de boete die De Nederlandsche Bank (DNB) aan haar had opgelegd wegens overtreding van artikelen 5 en 7 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. De rechtbank Rotterdam had de boete reeds bevestigd. Het geschil betrof het gebruik van de naam van Stichting A door een aan haar gelieerde vennootschap C en het verstrekken van specifieke informatie over de levensloopregeling.
Het College overwoog dat artikel 5 van Pro de Wet Bpf 2000 vereist dat een bedrijfstakpensioenfonds voorkomt dat een aan haar gelieerd bedrijf dezelfde naam gebruikt, omdat dit een concurrentievoordeel oplevert. Stichting A had niet opgetreden tegen het gebruik van haar naam door C, wat een overtreding opleverde. Ook had A in haar tijdschrift specifieke informatie verstrekt over C, wat in strijd was met artikel 7, dat alleen algemene informatie toestaat.
Het College verwierp het verweer van A dat de norm onduidelijk was of dat DNB het vertrouwen had gewekt dat geen boete zou volgen. Tevens oordeelde het College dat de hoogte van de boete proportioneel was, mede gezien de ernst van de overtredingen en het vermogen van A. De vermeende fout in de boetehoogte in de rechtbankuitspraak werd als kennelijke verschrijving beoordeeld zonder gevolgen voor het vonnis.
De conclusie was dat het hoger beroep ongegrond is en de boeteoplegging gehandhaafd blijft. Er werden geen kosten aan partijen toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van Stichting A wordt ongegrond verklaard en de boete van DNB wordt bevestigd.