ECLI:NL:RVS:2026:906

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
202306343/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 BbkArt. 10, tweede lid, onder c, BbkArt. 11, vierde en vijfde lid, BbkArt. 2.1, eerste lid, onder u, RbkArt. 7:11, tweede lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning bodem-energiesystemen wegens ontbreken certificaat

CBNL diende op 3 december 2020 een aanvraag in voor erkenning van werkzaamheden met betrekking tot het ontwerpen, installeren, beheren en onderhouden van het ondergrondse deel van bodem-energiesystemen. De minister van Infrastructuur en Waterstaat wees deze aanvraag bij besluit van 6 mei 2021 af op grond van artikel 11, vierde en vijfde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Na bezwaar en beroep vernietigde de Afdeling bestuursrechtspraak het besluit van 28 januari 2022 wegens schending van het hoor- en wederhoorprincipe en beval een hernieuwde beslissing.

Bij besluit van 31 augustus 2023 handhaafde de minister de afwijzing, stellende dat CBNL niet meer over het vereiste certificaat beschikt zoals vereist in artikel 10, tweede lid, onder c, van het Bbk. CBNL betoogde dat het primaire besluit onrechtmatig was en dat de minister ten onrechte geen oordeel gaf over die rechtmatigheid, mede met het oog op een mogelijke schadevergoeding.

De Afdeling oordeelde dat de minister niet verplicht was een uitdrukkelijk oordeel te geven over de rechtmatigheid van het primaire besluit in het besluit op bezwaar, omdat CBNL op dat moment nog geen formeel verzoek om schadevergoeding had ingediend. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van CBNL wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de erkenningsaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

202306343/1/R1.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
CBNL B.V., gevestigd in Zorgvlied, gemeente Westerveld,
appellante,
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2021 heeft de minister, samen met de minister van Economische Zaken en Klimaat, de aanvraag van CBNL tot
erkenning als bedoeld in artikel 9 van Pro het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder u, van de Regeling bodemkwaliteit (Rbk) afgewezen.
Bij besluit van 28 januari 2022 heeft de minister het door CBNL hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft CBNL beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:943, heeft de Afdeling het beroep van CBNL gegrond verklaard. De Afdeling heeft het besluit van 28 januari 2022 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van CBNL.
Bij besluit van 31 augustus 2023 heeft de minister het door CBNL daartegen gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft CBNL beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2025, waar CBNL, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. I. van der Meer, advocaat in Leeuwarden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Ellenoor, mr. E. Ucar en mr. B. Blesing, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2023 is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit bepalend.
Inleiding
2.       CBNL heeft op 3 december 2020 een aanvraag voor een erkenning ingediend voor een werkzaamheid als bedoeld in artikel 9 van Pro het Bbk. Deze aanvraag heeft betrekking op de werkzaamheden "Ontwerpen, installeren, beheren en onderhouden van het ondergrondse deel van bodem-energiesystemen" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder u, van de Rbk. De minister heeft bij besluit van 6 mei 2021 de aanvraag afgewezen, vanwege artikel 11, vierde en vijfde lid, van het Bbk. Bij besluit van 28 januari 2022 heeft de minister het besluit van 6 mei 2021 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.
3.       De Afdeling heeft bij uitspraak van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:943, het besluit van 28 januari 2022 vernietigd. De Afdeling was van oordeel dat de minister onzorgvuldig had gehandeld, omdat hij CBNL niet in de gelegenheid had gesteld te worden gehoord over de na de hoorzitting in bezwaar bekend geworden omstandigheid dat het certificaat van CBNL was ingetrokken. De minister diende daarom opnieuw op het bezwaar van CBNL tegen het besluit van 6 mei 2023 te beslissen.
Het besluit van 31 augustus 2023
4.       De minister heeft met het in deze procedure voorliggende besluit van 31 augustus 2023 wederom het besluit van 6 mei 2021 in stand gelaten. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat CBNL niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 10, tweede lid en onder c, van het Bbk omdat zij niet meer over het vereiste certificaat beschikt. Daarnaast houdt de minister vast aan de weigeringsgrond van artikel 11, vierde lid, van het Bbk.
Hoewel CBNL zich ermee kan verenigen dat de aangevraagde erkenning niet meer kan worden verleend omdat zij niet meer over het benodigde certificaat beschikt, vindt zij dat de minister ten onrechte niet heeft vastgesteld dat het besluit van 6 mei 2021 onrechtmatig was. CBNL heeft immers gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van het besluit. Zij heeft daarom beroep ingesteld tegen het besluit van 31 augustus 2023.
Het beroep
5.       CBNL betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft vastgesteld dat het besluit van 6 mei 2021 onrechtmatig was terwijl zij daar expliciet om heeft verzocht met het oog op schadevergoeding. Volgens CBNL is het besluit van 6 mei 2021 onrechtmatig genomen omdat de minister heeft erkend dat de weigeringsgronden, te weten valsheid in geschrifte en een eenmalige overtreding, ten onrechte aan het besluit van 6 mei 2021 ten grondslag zijn gelegd.
6.       De Afdeling overweegt dat artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht slechts bepaalt dat het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit herroept en voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt. Een algemene plicht voor het bestuursorgaan om in het besluit op bezwaar een uitdrukkelijk oordeel over de rechtmatigheid van het primaire besluit te geven, kan hieruit niet worden afgeleid. De plicht om een dergelijk oordeel te geven, is voor een bestuursorgaan wel aanwezig indien een belanghebbende heeft verzocht om schadevergoeding (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4842, onder 2.4.1).
Bij e-mailbericht van 20 juli 2023 heeft CBNL gevraagd om een oordeel van de minister over de rechtmatigheid van het besluit van 6 mei 2021. Uit dat e-mailbericht komt ook naar voren dat CBNL dit verzoek heeft gedaan met het oog op een mogelijk verzoek om schadevergoeding. Niet is echter gebleken dat zij op het moment van het besluit op bezwaar van 31 augustus 2023 al daadwerkelijk een verzoek om schadevergoeding had ingediend. Onder die omstandigheid was de minister niet gehouden om in het besluit op bezwaar, overeenkomstig het verzoek van CBNL, een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het primaire besluit.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7.       Het beroep is ongegrond.
8.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Denters, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
195-1124