ECLI:NL:RVS:2026:761
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing compensatie afgeloste private schuld toeslagenaffaire
De appellant, gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om compensatie van een afgeloste lening van €22.000 bij Defam B.V. op grond van artikel 4.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De lening was afgelost met een eerdere compensatie, maar de minister wees de aanvraag af omdat de schuld niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021, een vereiste volgens artikel 4.1 Wht.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat de dwingende wettelijke criteria niet aan het evenredigheidsbeginsel of andere algemene rechtsbeginselen mogen worden getoetst. Hoewel de appellant de lening te goeder trouw aanging om bestaande schulden af te lossen, bood de wet geen ruimte voor afwijking, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, wat hier niet het geval was.
In hoger beroep stelde de appellant dat de eis van opeisbaarheid in strijd is met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege haar financiële en persoonlijke omstandigheden. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze argumenten, stellende dat de hardheidsclausule alleen geldt voor actuele schrijnende omstandigheden die samenhangen met de weigering tot compensatie, en niet voor onrecht uit het verleden.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarbij zij tevens bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van compensatie omdat de schuld niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021 en de hardheidsclausule niet van toepassing is.