AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging geslachtsnaamwijziging dochters ondanks bezwaar vader wegens ouderverstoting
De drie meerderjarige dochters hebben afzonderlijk verzocht om hun geslachtsnaam te wijzigen van die van hun vader naar die van hun moeder, omdat zij geen contact meer met hun vader hebben en het dragen van zijn naam een negatief gevoel geeft. De minister heeft deze verzoeken toegewezen, waarna de vader bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
De rechtbank heeft het beroep van de vader ongegrond verklaard, stellende dat de minister de belangen van de dochters zwaarder mocht laten wegen dan die van de vader. De rechtbank oordeelde dat de verzoeken voldeden aan de wettelijke voorwaarden en dat er geen aanwijzingen waren dat de dochters niet uit vrije wil handelden. Ook het beroep op het Verdrag voor de rechten van het kind werd verworpen omdat de dochters meerderjarig zijn.
In hoger beroep heeft de Raad van State het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad overweegt dat de kwestie van ouderverstoting niet relevant is in deze procedure en wijst erop dat de dochters op een later moment opnieuw een verzoek kunnen indienen om hun geslachtsnaam te wijzigen indien het niet wijzigen ernstige psychische schade zou veroorzaken. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vader tegen de geslachtsnaamwijziging van zijn dochters wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
202500377/1/A3.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 december 2024 in zaak nrs. 23/3449, 23/3534 en 23/3536 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister voor Rechtsbescherming (nu: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, hierna: de minister).
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 24 januari 2023 heeft de minister de verzoeken van [dochter A], [dochter B] en [dochter C] (hierna: de dochters) om hun geslachtsnaam te wijzigen in [naam], de geslachtsnaam van hun moeder [naam moeder], toegewezen.
Bij afzonderlijke besluiten van 26 mei 2023 heeft de minister de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 december 2024 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De dochters hebben als derde-belanghebbenden deelgenomen aan het geding en hebben gezamenlijk een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 oktober 2025, waar [appellant], en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Gier, zijn verschenen. Verder zijn de dochters op de zitting verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De dochters van [appellant] hebben op 22 augustus 2022, toen zij alle drie meerderjarig waren, ieder afzonderlijk de minister verzocht om hun geslachtsnaam te wijzigen van [appellant] naar de naam van hun moeder. De dochters hebben in hun verzoek toegelicht dat zij geen contact meer hebben met hun vader en dat het dragen van zijn achternaam een negatief gevoel geeft. De minister heeft de verzoeken van de drie dochters van [appellant] op 24 januari 2023 in drie afzonderlijke besluiten toegewezen.
1.1. [appellant] is het hier niet mee eens. Volgens [appellant] is er sprake van ouderverstoting en dat had de minister in de beoordeling van de verzoeken om geslachtsnaamwijziging moeten meewegen. [appellant] stelt dat de minister en ook de rechter te weinig kennis hebben over ouderverstoting en de effecten daarvan op slachtoffers, zodat zij wat hij hierover heeft aangevoerd niet juist hebben beoordeeld bij de beslissing op de verzoeken en zijn beroep daartegen. Ook betoogt hij dat de dochters de verzoeken niet uit vrije wil hebben gedaan, maar dat ze door hun moeder hiertoe zijn aangezet en dat de verzoeken daarom een uiting zijn van ouderverstoting. Tot slot acht [appellant] de besluiten in strijd met artikel 24 vanPro het Verdrag voor de rechten van het kind (hierna: IVRK). De minister heeft in bezwaar de geslachtsnaamwijzigingen van de dochters in stand gelaten.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de verzoeken van de dochters om geslachtsnaamwijziging heeft mogen toewijzen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister de belangen van de dochters zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van [appellant] bij de afwijzing van de verzoeken. Volgens de rechtbank heeft de minister op goede gronden, in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geen aanleiding gezien om de verzoeken af te wijzen.
3.1. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat vaststaat dat alle drie de dochters ten tijde van de verzoeken meerderjarig waren en dat niet in geschil is dat hun verzoeken voldoen aan alle voorwaarden uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit geslachtsnaamwijziging (hierna: Besluit). De drie dochters hebben namelijk sinds 2018 geen of nauwelijks contact meer met [appellant]. De dochters willen de geslachtsnaam van hun moeder aannemen en zij heeft daarmee ingestemd. Volgens de rechtbank volgt verder uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat de minister bij het nemen van een besluit op een verzoek om geslachtsnaamwijziging, ook indien wordt voldaan aan de in het Besluit opgenomen voorwaarden, alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen moet betrekken. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1999, en van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1392. Hieruit volgt, zo overweegt de rechtbank, dat ook de belangen van [appellant] bij de afwijzing van het verzoek daaronder vallen, maar dat daaronder niet kan vallen de beoordeling van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de dochters geen omgang met [appellant] meer hebben.
3.2. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de door [appellant] overgelegde stukken geen aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat de dochters hun verzoeken om geslachtsnaamwijziging niet uit vrije wil en niet zelfstandig zouden hebben gedaan. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de stukken die [appellant] heeft overgelegd uitsluitend algemene informatie over ouderverstoting bevatten en geen betrekking hebben op het contact tussen hem en zijn dochters en het contact met hun moeder. De rechtbank heeft voor dit oordeel ook van belang geacht dat de dochters meerderjarig zijn en dat zij de wens om de naam van hun moeder te dragen bij hun verzoek hebben toegelicht. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat er geen aanknopingspunten zijn dat de verzoeken van de dochters niet uit vrije wil zijn gedaan.
3.3. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van [appellant] op artikel 24 vanPro het IVRK niet slaagt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat alle drie de dochters meerderjarig zijn en het verdrag, gelet op artikel 1 vanPro het IVRK, niet op hen van toepassing is. De rechtbank heeft nog opgemerkt dat de geslachtsnaamwijziging er niet aan in de weg staat dat het contact tussen [appellant] en de dochters in de toekomst wordt hersteld.
Beoordeling van het hoger beroep
4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen reden het oordeel van de rechtbank onjuist te achten. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6, 7, 8, 9, 11 en 12 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven zijn weergegeven. Daar voegt zij nog aan toe dat de vraag of sprake is van ouderverstoting in deze procedure over de geslachtsnaamwijziging niet aan de orde kan komen. Verder overweegt de Afdeling dat de minister op de zitting heeft aangegeven dat er voor de dochters een mogelijkheid bestaat om op een later moment een verzoek te doen om de geslachtsnaam weer te wijzigen naar [appellant] op grond van artikel 7 vanPro het Besluit. Dit verzoek kan worden ingewilligd als de dochters op dat moment aantonen dat het niet wijzigen van de geslachtsnaam naar de naam van [appellant] hun psychische gezondheid ernstig zal schaden. De minister heeft toegelicht dat op dit moment nog niet zeker is dat de dochters aan de daarvoor in dat geval geldende wettelijke vereisten zullen voldoen, maar dat de geslachtsnaamwijziging naar de naam van hun moeder in zoverre dus niet onomkeerbaar is.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
314-1171
BIJLAGE
Wettelijk kader
Burgerlijk Wetboek
Artikel 1:7
1. De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.
[…]
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.
[…].
Besluit geslachtsnaamwijziging
Artikel 3
1. Op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, wordt de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd:
a. in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed;
[…].
Artikel 4
1. Op verzoek van een meerderjarige wordt zijn geslachtsnaam gewijzigd:
a. in een geslachtsnaam als bedoeld in artikel 3, eerste lid, indien de verzorging en opvoeding enige tijd gedurende de minderjarigheid hebben geduurd;
[…].
Artikel 7
Een verzoek tot geslachtsnaamswijziging dat niet op een van de voorgaande artikelen kan worden gebaseerd, kan worden ingewilligd, indien de verzoeker aantoont dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate zou schaden.