ECLI:NL:RVS:2014:1999
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot wijziging geslachtsnaam dochter in naam stiefvader
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris tot wijziging van de geslachtsnaam van zijn dochter in de naam van haar stiefvader ongegrond verklaarde.
De staatssecretaris had het verzoek tot naamswijziging voor inwilliging in aanmerking genomen omdat de dochter gedurende haar minderjarigheid door haar moeder en stiefvader was verzorgd en opgevoed, en de stiefvader instemde met de wijziging. Appellant voerde aan dat zijn dochter het verzoek onder invloed van het PAS-syndroom had gedaan, wat volgens hem onvoldoende was onderzocht, en dat daardoor zijn recht op een eerlijke behandeling was geschonden.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant zijn stelling onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het verzoek voldeed aan de wettelijke voorwaarden. De Raad benadrukt dat artikel 6 EVRM Pro en artikel 10 UVRM Pro betrekking hebben op de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie en niet op de voorbereiding van besluitvorming door de bestuursautoriteit. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend aan appellant omdat het bezwaar ongegrond was verklaard. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 juni 2014 door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.