ECLI:NL:RVS:2026:4436

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202302562/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:51d AwbArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over gebreken in het inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek

Provinciale staten van Overijssel hebben het inpassingsplan "Springendal en Dal van de Mosbeek" gewijzigd vastgesteld, gericht op maatregelen ter instandhouding van het Natura 2000-gebied. Diverse appellanten, waaronder agrariërs en Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V., hebben beroep ingesteld tegen dit besluit.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak behandeld en geoordeeld dat het inpassingsplan op meerdere punten niet voldoet aan wettelijke vereisten. Zo is onvoldoende duidelijkheid gegeven over de uitvoerbaarheid van de maatregel evenwichtsbemesting, is de overgangstermijn voor gebruiksbeperkingen te kort en is de vergoeding voor evenwichtsbemesting onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast is de verplaatsing van een camping niet mogelijk binnen het plan, wat onzorgvuldig is.

De Afdeling draagt provinciale staten op binnen 26 weken de gebreken te herstellen en hierover te rapporteren. Het beroep van Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. wordt ongegrond verklaard, waarmee hun procedure is afgesloten. Over de proceskosten en overige verzoeken wordt in de einduitspraak beslist.

Uitkomst: De Raad van State beveelt provinciale staten om binnen 26 weken de gebreken in het inpassingsplan te herstellen en verklaart het beroep van Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. ongegrond.

Uitspraak

202302562/1/R3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
1.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], gevestigd respectievelijk wonend in Vasse, gemeente Tubbergen,
2.       [appellant sub 2] en anderen, gevestigd respectievelijk wonend in Nutter, gemeente Dinkelland,
3.       Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen, gevestigd respectievelijk wonend in Oud Ootmarsum, gemeente Dinkelland,
4.       [appellant sub 3], wonend in Nutter, gemeente Dinkelland,
5.       [appellant sub 4], gevestigd in Nutter, gemeente Dinkelland,
appellanten,
en
provinciale staten van Overijssel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2023 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Springendal en Dal van de Mosbeek" (het inpassingsplan) gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en anderen, Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen, [appellant sub 3], en maatschap [appellant sub 4], beroep ingesteld.
Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.
Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen, maatschap [appellant sub 4] en [appellant sub 4], [appellant sub 2] en provinciale staten hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 april 2026, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], vertegenwoordigd respectievelijk bijgestaan door mr. P.M.J. de Goede, advocaat in Groningen, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.T. Fuller, advocaat in Zwolle, vergezeld door ing. H.A. Sentker, Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen, van wie R. Dijkkamp, bijgestaan door mr. W. van de Rijt en mr. R. Benhadi, advocaten in Nijmegen, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. J.T. Fuller, advocaat in Zwolle, en [gemachtigde], maatschap [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat in Twello, en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. V.A. Textor, advocaat in Arnhem, vergezeld door G.J.H. Hoeve, A.T.W. Eijsink en ing. H.A.M. van Luijk, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een inpassingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het inpassingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 december 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Bij besluit van 4 juli 2013 is het gebied ‘Springendal en Dal van de Mosbeek’ aangewezen als Natura 2000-gebied. Dit gebied heeft een oppervlak van 1.338 ha en ligt voor het grootste deel in de gemeente Tubbergen en voor een klein deel in de gemeente Dinkelland op de stuwwal van Ootmarsum. De noordgrens van het gebied wordt gevormd door de grens met Duitsland.
Omdat uit een in 2017 door gedeputeerde staten uitgevoerde gebiedsanalyse van het Natura 2000-gebied is gebleken dat er belangrijke knelpunten waren voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, is in 2019 een beheerplan (het beheerplan) vastgesteld, met maatregelen die moeten leiden tot het behoud van de habitattypen in het gebied en het voorkomen van verslechtering daarvan. Vervolgens is het inrichtingsplan ‘Springendal - Dal van de Mosbeek’ (het inrichtingsplan) vastgesteld. Dit inrichtingsplan vormt een gebiedsgerichte uitwerking voor de maatregelen uit het beheerplan en ziet op zes deelgebieden, waarbij per deelgebied is aangegeven welke maatregelen waar zijn voorzien. Het gaat vooral om maatregelen die de habitats in het Natura 2000-gebied moeten vernatten en uitspoeling naar die habitats moeten tegengaan, mede door het vernatten van omliggende gronden en het beperken van de bemesting op landbouwgronden zodat de uitspoeling naar de habitattypen in het Natura 2000-gebied wordt verminderd.
Om de maatregelen te kunnen treffen, is voor een deel van de gronden een bestemmingswijziging nodig. Op die gronden, die vooral buiten het Natura 2000-gebied zijn gelegen, heeft het inpassingsplan betrekking. Het plangebied van het inpassingsplan is kleiner dan dat van het inrichtingsplan.
3.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en anderen, Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen, [appellant sub 3] en maatschap [appellant sub 4] hebben gronden die deel uitmaken van het plangebied. Zij hebben beroep ingesteld tegen het inpassingsplan.
Toetsingskader
4.       Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die provinciale staten uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepen
Beroep [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]
5.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] exploiteren een melkveebedrijf aan de [locatie 1] in Vasse. Een deel van de percelen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] valt binnen het plangebied. Het gaat om de percelen die kadastraal bekend zijn als gemeente Tubbingen, [perceelnummer 1], [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3]. De percelen [perceelnummer 4], [perceelnummer 5] en het noordoostelijk deel van het perceel [perceelnummer 6] hebben de enkelbestemming "Agrarisch - 2a" gekregen, met onder meer de functieaanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - eiwitrijke gewassen" en "specifieke vorm van agrarisch - grasland - evenwichtsbemesting". Het zuidwestelijk deel van perceel [perceelnummer 6] heeft onder meer de bestemming "Natuur" gekregen.
Beroepsgronden en beoordeling daarvan
6.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat het inpassingsplan in strijd is met het beginsel van toelatingsplanologie, omdat het inpassingsplan (onvoorwaardelijke) gebodsbepalingen bevat. In dit kader wijzen zij erop dat uit zowel artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels als de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - grasland - evenwichtsbemesting" volgt dat zij hun gronden niet meer regulier mogen bemesten maar daarop evenwichtsbemesting moeten toepassen. Ook artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a en d, van de planregels bevat een gebodsbepaling, aangezien zij er op grond van deze bepaling toe worden verplicht de gronden te gebruiken voor de bestemming "Natuur" overeenkomstig het inrichtingsplan, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].
6.1.    Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt als volgt:
"De voor ‘Agrarisch - 2a’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. het agrarisch gebruik;
b. het agrarisch gebruik van gronden met de aanduiding 'eiwitrijke gewassen' voor de teelt van gewassen genoemd in bijlage 6 bij deze regels;
c. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden;
d. doeleinden van agrarisch natuurbeheer;
e. de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Springendal dal en van de Mosbeek";
f. het uitvoeren van het inrichtingsplan ten behoeve van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek", dat als Bijlage 1, 2, 7, 8 en 9 bij deze regels is gevoegd;
g. het uitvoeren van erfinrichtingsplannen en landschapsplannen;
[…]"
6.1.1. Artikel 7, lid 7.1, van de planregels luidt als volgt:
"De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. natuur, overeenkomstig het inrichtingsplan ten behoeve van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek", dat als Bijlage 1, 2, 7, 8 en 9 bij deze regels is gevoegd;
b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke, hydrologische, geomorfologische en cultuurhistorische waarden;
c. de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek";
d. het uitvoeren van het inrichtingsplan ten behoeve van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek", dat als Bijlage 1, 2, 7, 8 en 9 bij deze regels is gevoegd;
e. waterberging;
[…]."Naar het oordeel van de Afdeling bevat artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels geen verplichting tot evenwichtsbemesting. In het inrichtingsplan wordt voor sommige, daarin aangegeven, (agrarische) percelen de maatregel evenwichtsbemesting voorgeschreven. Daarbij is aangegeven dat evenwichtsbemesting - kort gezegd - inhoudt dat een gewas net zoveel meststof krijgt toegediend als het aan de grond onttrekt. Hieruit volgt dat de maatregel van evenwichtsbemesting alleen geldt op het moment dat het perceel gebruikt wordt voor het verbouwen van gewassen en in dat kader mest wordt toegevoegd. Uit artikel 4, lid 4.1, van de planregels volgt echter niet dat de gronden met de bestemming "Agrarisch - 2a" zo moeten worden gebruikt. Zo mogen de gronden bijvoorbeeld ook voor ander agrarisch gebruik worden gebruikt of voor doeleinden van agrarisch natuurbeheer. Het is dus geen verplichting om op de gronden met de bestemming "Agrarisch - 2a" evenwichtsbemesting toe te passen. Wel geldt dat als er wordt bemest, die bemesting aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.
Ook de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 2 - evenwichtsbemesting" verplicht niet tot evenwichtsbemesting. Artikel 4, 4.3, aanhef en onder d, van de planregels bepaalt daarover namelijk alleen dat tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze functieaanduiding in ieder geval wordt gerekend het toepassen (waaronder uitrijden), gebruiken en opslaan van meststoffen in afwijking van de voor die gronden bepaalde evenwichtsbemesting. Ook deze regel verplicht dus niet tot evenwichtsbemesting maar bepaalt alleen dat als bemest wordt, dat via evenwichtsbemesting moet.
Dat, naar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op zitting hebben gesteld, de gronden zonder bemesting waardeloos zijn, leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot de conclusie dat zij op grond van artikel 4, lid 4.1, van de planregels verplicht zijn hun grond te bemesten door middel van de toepassing van evenwichtsbemesting.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
6.1.2. Anders dan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen is ook het bepaalde in artikel 7, lid 7.1, onder a en onder d, van de planregels niet in strijd met het beginsel van toelatingsplanologie. Hieruit volgt weliswaar dat als de eigenaar van gronden met de bestemming "Natuur" deze gronden wil gebruiken voor natuur, dat die natuur dan overeenkomstig het inrichtingsplan moet worden vormgegeven, maar uit artikel 7, lid 7.1, van de planregels volgt niet dat de eigenaar de gronden voor natuur overeenkomstig het inrichtingsplan moet inrichten of gebruiken. Zo mogen de gronden bijvoorbeeld ook voor waterberging worden ingericht of gebruikt. Van een verplichting om de gronden met de bestemming "Natuur" voor natuur overeenkomstig het inrichtingsplan in te richten of te gebruiken, is dus geen sprake.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
7.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen verder dat artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder d, van de planregels in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Omdat het begrip ‘evenwichtsbemesting’ niet is gedefinieerd in het inpassingsplan, is onduidelijk wanneer sprake is van strijdig gebruik als bedoeld in voormelde bepaling.
[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen ook dat de toepassing van evenwichtsbemesting zal leiden tot extra handelingen en dus tot meer tijd en kosten dan de huidige methode van bemesting. Daarnaast zal door evenwichtsbemesting de waarde van de desbetreffende gronden (aanzienlijk) dalen. Dit terwijl onduidelijk is of, en zo ja, in welke mate, deze maatregel daadwerkelijk bijdraagt aan de bestrijding van vermesting. Daarmee is deze maatregel in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daar komt bij dat in de onderbouwing in het inrichtingsplan van de maatregel ter bestrijding van vermesting wordt vermeld dat de maatregel een tijdelijke maatregel is, die zal worden opgeheven zodra de habitats elders in het gebied ‘voldoende’ gecompenseerd zijn. Deze tijdelijkheid is niet geborgd in de planregels. Bovendien is niet omschreven wanneer de habitats elders in het gebied ‘voldoende’ gecompenseerd zijn. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].
7.1.    In artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder d, van de planregels is bepaald dat tot strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming "Agrarisch - 2a" in aanvulling op artikel 21.1 in ieder geval wordt gerekend het toepassen (waaronder uitrijden), gebruiken en opslaan van meststoffen op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 2 - evenwichtsbemesting" in afwijking van de voor die gronden bepaalde evenwichtsbemesting.
7.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat het inpassingsplan geen definitie bevat van het begrip evenwichtsbemesting. In het inrichtingsplan, waarnaar in de planregels, waaronder artikel 4, lid 4.1, uitdrukkelijk wordt verwezen en dat als bijlage bij de planregels is gevoegd, is (op pag. 218) wel omschreven wat onder dit begrip moet worden verstaan. Daarin is het volgende opgenomen: "Evenwichtsbemesting betekent dat een gewas op jaarbasis op een perceel net zoveel meststof krijgt toegediend als dat het onttrekt aan het perceel (Freriks & Van Schooten, 2016). Het doel van deze maatregel is verrijking van het grondwater met nutriënten (vooral nitraat en fosfaat) via lokale grondwaterstromen zo veel mogelijk te beperken. Dit betekent concreet het bijhouden van een stikstofboekhouding, bemesting naar verwachte opbrengst en dat per gift rekening wordt gehouden met nog beschikbare nutriënten voor het gewas." Hieruit blijkt dat evenwichtsbemesting inhoudt dat een gewas op jaarbasis op een perceel precies evenveel meststof krijgt toegediend als dat het onttrekt aan dat perceel en dat er dus sprake moet zijn van een zogenoemde ‘nulbalans’.
Gelet op het voorgaande is het ontbreken van de definitie in de planregels niet in strijd met de rechtszekerheid. Via het inrichtingsplan is voldoende duidelijk wat daaronder wordt verstaan. Het betoog slaagt in zoverre niet.
7.3.    Uit de hiervoor aangehaalde definitie van ‘evenwichtsbemesting’ blijkt dat het doel van de maatregel is om de uitspoeling van mest naar het grondwater zoveel mogelijk te voorkomen. In het inrichtingsplan is uiteengezet dat voor de maatregel van evenwichtsbemesting is gekozen om met behoud van landbouwkundige mogelijkheden een deel van het hydrologische systeem te herstellen en de uitspoeling van nutriënten te verminderen. Op de zitting hebben provinciale staten hieraan toegevoegd dat de beperking van verzuring als gevolg van bemesting nodig is om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken, maar dat een verbod op bemesting als een te zware en vergaande maatregel werd gezien. Tegelijkertijd stond het behouden van bemesting zonder enige beperking in de weg aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Daarom is gekozen voor evenwichtsbemesting. Volgens provinciale staten is hiermee gekozen voor de voor agrariërs minst belastende optie. Omdat de bemesting vanwege de instandhoudingsdoelstellingen niet op de oude voet door kon gaan, is het enige alternatief namelijk dat op de agrarische gronden de bestemming "Natuur" komt te rusten en het agrarisch gebruik helemaal gestaakt had moeten worden, aldus provinciale staten
7.3.1. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten voldoende onderbouwd dat aanpassing van de bemesting noodzakelijk is voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen en daarmee voor natuurherstel en -behoud. Ook hebben zij voldoende onderbouwd dat een maatregel waarbij sprake is van een balans bij bemesting en die is gericht op het voorkomen van een toename van nutriënten die uitspoelen op zichzelf geschikt is om deze doelstellingen te bereiken. Dat de maatregel voor de agrariër tot meer tijd en kosten leidt en de mogelijkheden van gebruik van de grond en daarmee de waarde van de grond aantast, hebben provinciale staten in dat opzicht niet doorslaggevend hoeven achten. Met deze maatregel is een evenwicht gevonden tussen het belang van de natuur en het belang van de landbouw. Deze maatregel is voor agrariërs ook minder belastend dan het alternatief van een natuurbestemming die agrarisch gebruik niet mogelijk maakte. Gelet hierop is zo’n maatregel niet onevenredig. Het betoog slaagt in zoverre niet.
7.3.2. De norm van evenwichtsbemesting is dus voldoende duidelijk en evenredig. Dat neemt evenwel niet weg dat provinciale staten nog niet voldoende duidelijk hebben gemaakt dat de maatregel van evenwichtsbemesting ook uitvoerbaar is. In dit kader is het volgende van belang.
7.3.2.1.        [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben op de zitting toegelicht dat bemesting doorgaans een aantal keer per jaar plaatsvindt, in de periode van half februari tot 1 juli. De bemesting is nodig om de gewassen te laten groeien. Of de gewassen alle door een agrariër toegevoegde mest opnemen, is mede afhankelijk van de weersomstandigheden en andere omstandigheden waarop een agrariër geen invloed heeft en kan hebben. Ten tijde van het bemesten is als gevolg hiervan voor een agrariër dus niet te voorspellen of alle mest die hij toedient daadwerkelijk door de gewassen wordt opgenomen. Is dat niet het geval, dan is de agrariër in overtreding, terwijl hij dat niet altijd kan voorkomen. Provinciale staten hebben dit op de zitting ook bevestigd. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben er verder op gewezen dat op dit moment het antwoord op de vraag hoe strikt de hand wordt gehouden aan het bereiken van de nulbalans afhankelijk is van de begeleider die een agrariër toegewezen krijgt. In het verlengde hiervan hebben zij erop gewezen dat het hiermee ook van de begeleider afhankelijk is op welke manier een agrariër moet aantonen hoeveel mest door een gewas aan de grond is onttrokken. Hierdoor is volgens [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ook onzeker of en wanneer er handhavend wordt opgetreden.
7.3.2.2.        Gelet op de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegeven toelichting is het de Afdeling niet duidelijk geworden of de maatregel van evenwichtsbemesting zoals deze nu is vormgegeven wel uitvoerbaar is. De Afdeling volgt provinciale staten niet in hun standpunt dat een agrariër zelf het best kan bepalen hoeveel hij moet bemesten en dat het voor zijn rekening en risico komt als blijkt dat er te veel is bemest. Provinciale staten houden er met dit standpunt namelijk geen rekening mee dat een agrariër door weersomstandigheden en andere omstandigheden maar in beperkte mate invloed heeft op het behalen van de door provinciale staten gestelde norm en het voor hem dus niet uitvoerbaar is om een sluitende mestbalans te maken.
7.3.2.3.        De Afdeling stelt verder vast dat provinciale staten ook niet inzichtelijk hebben gemaakt op welke wijze een agrariër moet bijhouden hoeveel mest op jaarbasis aan de grond is onttrokken en - in het verlengde hiervan - of, dan wel in hoeverre, aan de norm van evenwichtsbemesting is voldaan. Provinciale staten hebben op de zitting naar voren gebracht dat een agrariër dit moet bijhouden aan de hand van een boekhouding. Aan welke eisen die boekhouding moet voldoen, hebben provinciale staten niet inzichtelijk gemaakt. Zo is onduidelijk of de hoeveelheid aan de grond onttrokken mest moet worden vastgesteld aan de hand van metingen, berekeningen, een andere methode of een combinatie hiervan. Ook is onduidelijk of die vaststelling bijvoorbeeld op basis van steekproeven kan of dat deze exact moet worden berekend, gemeten of anderszins bepaald.
7.3.2.4.        Dit alles betekent dat provinciale staten onvoldoende duidelijk hebben gemaakt dat en op welke wijze de norm van evenwichtsbemesting uitvoerbaar is. Het betoog slaagt in zoverre.
7.4.    Voor zover [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ten slotte hebben gesteld dat in de planregels ten onrechte niet is geborgd dat de maatregel van evenwichtsbemesting tijdelijk is, volgt de Afdeling hen niet. Uit de toelichting van provinciale staten op de zitting blijkt dat dit wel het streven is, maar dat dit bewust niet is vastgelegd, omdat dit afhangt van de vraag of, en zo ja wanneer, de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nu die tijdelijkheid niet in de planregels is vastgelegd, is in zoverre ook geen sprake van rechtsonzekerheid.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
8.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen verder dat het inpassingsplan in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel is voor zover het gaat om de voorgeschreven maatregelen tegen verdroging op perceel [perceelnummer 5] en (deels) perceel [perceelnummer 6].
[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wijzen er in dit kader op dat zij op het perceel [perceelnummer 5] de daar aanwezige sloot moeten (laten) gebruiken voor het verondiepen met grof (ijzerarm) zand en grind. Provinciale staten hebben evenwel niet inzichtelijk gemaakt dat deze maatregel tegen verdroging daadwerkelijk bijdraagt aan het tegengaan van verdroging, en zo ja, in welke mate. Bovendien hebben provinciale staten hun stelling dat de verondieping geen gevolgen heeft voor de omliggende landbouwgronden niet onderbouwd. Volgens [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wordt door verondieping van de sloot op het perceel getornd aan de ontwatering van het perceel en lopen zij het risico op vernattingsschade doordat het perceel in de wintermaanden onder water komt te staan. Gelet hierop is sprake van een wanverhouding tussen het door hen te ondervinden nadeel en de daarmee te dienen doelen, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].
[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] stellen verder in dit kader dat zij op een deel van het perceel [perceelnummer 6] de daar aanwezige beek moeten (laten) gebruiken voor het verondiepen met grof (ijzerarm) zand en grind tot 10 cm onder het maaiveld, een afspoel-/invangstrook moeten aanleggen en de oude beekloop moeten herleggen. Het is echter onduidelijk op welke wijze deze maatregelen tegen verdroging concreet moeten worden uitgevoerd. Dat geldt met name voor het aanleggen van de afspoel-/invangstrook: het is niet duidelijk waar die precies gesitueerd zal worden, op welke wijze die wordt aangelegd en hoe die er in meer algemene zin uit zal komen te zien. Daardoor is het ook moeilijk in te schatten wat de gevolgen van die strook zullen zijn voor hun bedrijfsvoering. Verder lijkt uit het inrichtingsplan te volgen dat de oude beekloop moet worden verplaatst naar hun landbouwgrond. Daardoor zullen zij een groter deel van die grond niet meer kunnen bemesten. Bovendien vergroot deze verplaatsing het risico op afspoeling van voedingsstoffen in de beek, terwijl het voorkomen daarvan juist het doel zou zijn, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].
8.1.    De percelen [perceelnummer 5] en [perceelnummer 6] zijn gelegen binnen de noordtak van het deelgebied Roezebeek. Uit het inrichtingsplan blijkt dat verdroging één van de knelpunten in dit gebied is. Verder is daarin beschreven dat met name de versnelde afvoer van grond- en oppervlaktewater in dat kader een probleem is. Om deze versnelde afvoer tegen te gaan, moet onder meer de sloot op perceel [perceelnummer 5] worden verondiept, zo volgt uit het inrichtingsplan. Uit de Hydrologische Notitie Mosbeek-Hazelbekke (de Hydrologische Notitie), die als bijlage bij het inrichtingsplan is gevoegd, blijkt aan de hand van berekeningen dat de grondwaterstand als gevolg van onder meer de verondiepingen van de sloot en de beek op de percelen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] enkele centimeters zal stijgen. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben deze berekeningen niet bestreden. Hiermee hebben provinciale staten voldoende aannemelijk gemaakt dat, en in welke mate, de verondiepingen van onder meer de sloot bijdragen aan het tegengaan van verdroging.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
8.2.    De Afdeling volgt [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] verder niet in hun betoog dat provinciale staten niet zouden hebben onderbouwd dat de verondieping geen gevolgen heeft voor de omliggende landbouwgronden en dat zij risico lopen op vernattingsschade doordat het perceel onder water komt te staan. In dit kader is van belang dat in de Hydrologische Notitie de inundatie in de huidige situatie (voorafgaand aan het uitvoeren van de maatregelen), de inundatie in de toekomstige situatie (na het uitvoeren van de maatregelen) en het verschil tussen beide situaties in kaart zijn gebracht. Hieruit blijkt dat de maatregelen op perceel [perceelnummer 5] niet tot een inundatieverschil leiden. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben deze notitie niet bestreden. Gelet hierop hebben provinciale staten voldoende inzichtelijk gemaakt dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] door de verondieping van de sloot geen risico lopen op vernattingsschade. In het verlengde leidt de maatregel ook niet tot een onevenredig nadeel voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
8.3.    De Afdeling volgt [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ten slotte evenmin in hun betoog dat niet duidelijk zou zijn waar de afspoel-/invangstrook zal worden gesitueerd. De locatie van deze strook is namelijk aangegeven op figuur 135 van het inrichtingsplan. Daaruit blijkt dat deze strook is gelegen op gronden met de bestemming "Natuur". Gelet hierop is niet aannemelijk dat de aanleg van deze strook gevolgen zal hebben voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].
Op figuur 135 van het inrichtingsplan is ook aangegeven waar de oude beekloop wordt hersteld. Dat de locatie daarvan wordt veranderd, is niet gebleken en hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ook niet aannemelijk gemaakt.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
9.       Het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat het inpassingsplan in strijd is met het recht op ongestoord genot van het eigendom, zoals neergelegd in artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), zal (zonodig) in de einduitspraak worden besproken.
Beroep [appellant sub 2] en anderen
10.     [appellant sub 2] en anderen exploiteren een veehouderij aan de [locatie 2] in Nutter. In totaal heeft het bedrijf circa 25 ha grond om en nabij de veehouderij zelf en op afstand ook nog 20 ha. Het erf en een gedeelte van de percelen, in totaal ongeveer 11,2 ha, vallen binnen het plangebied van het inpassingsplan. Het gaat vooral om de percelen, kadastraal bekend gemeente Denekamp, [perceelnummer 7], [perceelnummer 8], [perceelnummer 9], [perceelnummer 10], [perceelnummer 11], [perceelnummer 12], [perceelnummer 13] en [perceelnummer 14].
Van de percelen [perceelnummer 15] en [perceelnummer 8] is als gevolg van het inpassingsplan de bestemming gewijzigd van "Agrarisch - 1" met de functieaanduiding "bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf" naar de bestemmingen "Wonen", "Natuur" en "Agrarisch met waarden - Grasland". Daarbij is ook het bouwvlak aanzienlijk verkleind.
De bestemming van de percelen [perceelnummer 9], [perceelnummer 10] en [perceelnummer 11] is veranderd van "Agrarisch - 2" naar "Agrarisch - 2a" met de functieaanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - eiwitrijke gewassen" en "specifieke vorm van agrarisch - grasland - evenwichtsbemesting".
De bestemming van de percelen [perceelnummer 12], [perceelnummer 13] en [perceelnummer 14] is veranderd van "Agrarisch - 2" naar "Natuur".
Beroepsgronden en beoordeling daarvan
11.     Volgens [appellant sub 2] en anderen kunnen op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Grasland", "Agrarisch - 2a" en "Natuur" extra (beperkende) maatregelen worden getroffen, omdat de bestemmingen mede zien op ‘het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en hydrologische waarden’. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1412, volgt dat deze methodiek ontoelaatbaar is.
11.1.  Provinciale staten hebben erkend dat [appellant sub 2] en anderen dit betoog terecht hebben voorgedragen en dat het inpassingsplan op dit punt moet worden aangepast.
Het betoog slaagt.
12.     [appellant sub 2] en anderen betogen onder verwijzing naar voormelde uitspraak van 30 juni 2021, en de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:428, verder dat het gebruiksovergangsrecht uit artikel 25, lid 25.2, van de planregels ten onrechte slechts twee jaar na het onherroepelijk worden van het inpassingsplan van toepassing is. Volgens [appellant sub 2] en anderen is onzeker of dit een haalbare termijn is, nu er na zes jaar nog geen overeenstemming over compensatie is tussen hen en provinciale staten en bovendien de vraag naar vervangende bedrijven een stuk groter is dan het aanbod.
12.1.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de voormelde uitspraken van 30 juni 2021 en 1 februari 2023), biedt artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening ruimte om de termijn van het gebruiksovergangsrecht in te perken vanwege verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Afdeling heeft daarbij van belang geacht dat in de nota van toelichting bij artikel 3.2.2 van het Bro (Stb. 2008, 145, blz. 59) is opgenomen dat in deze bepaling tot uitdrukking is gebracht dat de standaardbepaling voor het gebruiksovergangsrecht niet onverkort kan worden toegepast indien uit de Vogel- en de Habitatrichtlijn gebruiksbeperkingen voortvloeien. In de praktijk zullen de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en Faunawet (nu: de Wnb) voor de betekenis van deze beperkingen richtinggevend zijn, zo staat in de nota van toelichting.
12.2.  Artikel 25, lid 25.2, van de planregels luidt als volgt:
"[…]
e. het onder a, b en c toegelaten gebruik is vanaf 2 jaar na het onherroepelijk worden van het plan niet toegestaan, als en voor zo ver dit in strijd is met de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, respectievelijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna."
12.3.  Provinciale staten hebben in het verweerschrift toegelicht dat in de door [appellant sub 2] en anderen genoemde uitspraken de overgangstermijn van twee jaar ging lopen na inwerkingtreding van de desbetreffende inpassingsplannen. Vanwege de genoemde uitspraken hebben zij in dit inpassingsplan gekozen voor een termijn van twee jaar die ingaat na het onherroepelijk worden van dit inpassingsplan. Volgens provinciale staten is voldoende aannemelijk dat het bestaande gebruik binnen deze termijn wordt beëindigd. Indien en voor zover zij gedurende de beroepsprocedure niet alsnog tot een minnelijke regeling zouden kunnen komen voor de beëindiging van het bedrijf, kan een dwingend instrumentarium worden ingezet zoals de gedoogplicht op grond van de Wet natuurbescherming of onteigening. Een termijn van twee jaar na het onherroepelijk worden van het inpassingsplan is (ruim) voldoende om het dwingend instrumentarium te kunnen inzetten, aldus provinciale staten.
12.4.  In beide door [appellant sub 2] en anderen genoemde uitspraken heeft de Afdeling de overgangstermijn van twee jaar na inwerkingtreding van de desbetreffende inpassingsplannen te kort geacht, omdat niet aannemelijk was dat het bestaande gebruik van de gronden binnen die termijn zou zijn ingeperkt. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat geen duidelijkheid bestond over de beschikbaarheid van vervangende gronden of andere passende maatregelen en/of oplossingen. In de uitspraak van 1 februari 2023 heeft de Afdeling verder bij haar oordeel betrokken dat onzeker was van welke gebruiksbeperkingen sprake was, welke gevolgen dat had voor de bedrijfsvoering, of de bedrijfsvoering zo nodig daarop kon worden afgestemd en of die termijn van twee jaar haalbaar was. De Afdeling heeft de vernietiging van de regel over de overgangstermijn in die zaken dus niet alleen gebaseerd op de omstandigheid dat die was gekoppeld aan het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, maar ook op andere omstandigheden.
Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten ook in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat het bestaande gebruik van de gronden binnen de in het inpassingsplan gekozen overgangstermijn zal zijn ingeperkt of beëindigd. Uit de door provinciale staten gegeven toelichting blijkt dat zij de termijn van twee jaar na onherroepelijk worden van het plan (ruim) voldoende vinden om het dwingend instrumentarium in te kunnen zetten en zodoende af te dwingen dat strijdig gebruik wordt ingeperkt of beëindigd. Daargelaten dat het nog maar de vraag is of, naar provinciale staten stellen, een onteigeningsprocedure binnen twee jaar volledig kan zijn afgerond, gaan provinciale staten er met dit standpunt aan voorbij dat dit dwingende instrumentarium pas kan worden ingezet nadat tussen provinciale staten en de desbetreffende grondeigenaren gesprekken hebben plaatsgevonden over welke maatregelen precies moeten worden uitgevoerd, door wie die maatregelen (moeten) worden uitgevoerd en wat de maatregelen precies betekenen voor de bedrijfsvoering van de desbetreffende grondeigenaren. Uit de in het verweerschrift gegeven toelichting blijkt dat provinciale staten ervan uitgaan dat deze gesprekken gedurende de beroepsprocedure plaatsvinden. Ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan (en dus ten tijde van de vaststelling van onder meer artikel 25 van Pro de planregels) was evenwel helemaal niet zeker dat er beroep zou worden ingesteld. Dit betekent dat de overgangstermijn ook twee jaar en zes weken, en daarmee slechts zes weken langer dan de eerder door de Afdeling te kort bevonden overgangstermijn van twee jaar na inwerkingtreding, had kunnen duren. Bovendien is vooraf niet duidelijk hoe lang een dergelijke beroepsprocedure zal duren. Verder kan naar het oordeel van de Afdeling niet van de grondeigenaren worden verlangd dat zij, in geval zij in rechte tegen het inpassingsplan opkomen, gedurende die beroepsprocedure al (definitieve) beslissingen nemen over het inperken of beëindigen van het bestaande gebruik van hun gronden en dus voordat in rechte is komen vast te staan dat dat bestaande gebruik daadwerkelijk moet worden ingeperkt of beëindigd. Ten slotte gaan provinciale staten er met hun standpunt aan voorbij dat de grondeigenaren niet altijd in eigen hand hebben of het bestaande gebruik binnen twee jaar na onherroepelijk worden zal zijn ingeperkt of beëindigd. Voor zover het immers gaat om maatregelen die door de provincie zelf moeten worden uitgevoerd, hebben de grondeigenaren geen invloed op de termijn waarbinnen de provincie tot die uitvoering overgaat en dus op de inperking of beëindiging van strijdig bestaand gebruik.
12.5.  Het betoog slaagt.
13.     [appellant sub 2] en anderen betogen verder dat de planregels dusdanig onduidelijk zijn dat er strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. In de planregels voor vrijwel alle voor hen geldende bestemmingen wordt verwezen naar ‘de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek"’ en naar ‘het uitvoeren van het inrichtingsplan ten behoeve van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek", dat als bijlage 1, 2, 7, 8 en 9 bij de planregels is gevoegd. Deze verwijzingen zijn niet concreet genoeg om daaruit af te kunnen leiden welk gebruik wel en niet is toegestaan. Ook uit het inrichtingsplan, dat uit ruim 1100 pagina’s bestaat, kan dit niet worden gehaald. Daarnaast is ook de beschrijving van de maatregelen, zoals de voor hen geldende maatregel M38, onduidelijk. Verder is niet duidelijk wat er onder evenwichtsbemesting moet worden verstaan. Daarbij wijzen [appellant sub 2] en anderen erop dat twee van hun percelen ([perceelnummer 15] en [perceelnummer 16]) de bestemming "Agrarisch met waarden - Grasland" hebben gekregen, waardoor evenwichtsbemesting van toepassing zou moeten zijn, terwijl deze percelen in het inrichtingsplan vallen onder maatregel M39, op grond waarvan bemesting helemaal niet is toegestaan.
13.1.  De Afdeling stelt vast dat in de planregels veelvuldig naar verschillende, soms omvangrijke, bijlagen wordt verwezen. Om antwoord te krijgen op de vraag waar welk gebruik wel of niet is toegestaan en welke maatregelen waar moeten worden uitgevoerd, is het nodig om de in deze verschillende bijlagen neergelegde informatie te combineren. De concrete toe te passen maatregelen en de locatie daarvan zijn grotendeels zelfs niet uit de planverbeelding en -regels te herleiden, maar uitsluitend in de bijlagen te vinden. Dit maakt het inpassingsplan lastig te doorgronden en zorgt ervoor dat de benodigde informatie soms moeilijk te achterhalen is.
Anders dan [appellant sub 2] en anderen betogen, is deze systematiek met verwijzingen naar bijlagen evenwel niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het antwoord op de vraag waar welk gebruik wel of niet is toegestaan en welke maatregelen waar moeten worden uitgevoerd, is namelijk wel uit de planregels met bijbehorende bijlagen te herleiden. Daar komt bij dat de vertaling van het beheerplan, waaruit voortvloeit dat veel verschillende maatregelen op een groot aantal gronden moeten worden doorgevoerd om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen, complex is, en daarmee leidt tot een complexer inpassingsplan dan een gemiddeld bestemmingsplan (of nu: omgevingsplan). Verder is van belang dat een groot deel van de maatregelen na realisatie zijn uitgewerkt en daarmee geen repetitief of voortdurend karakter hebben. De omstandigheid dat deze maatregelen niet in de planverbeelding en -regels, maar alleen in het inrichtingsplan zijn opgenomen, en daardoor, zeker voor derden, niet makkelijk te herleiden zijn, leidt daarmee evenmin tot het oordeel dat sprake is van rechtsonzekerheid.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
13.2.  Uit het inrichtingsplan volgt dat maatregel M38 is voorzien op het perceel van [appellant sub 2] en anderen met de bestemming "Wonen". In de omschrijving van de maatregel is het volgende vermeld: "Op basis van een erfscan zullen maatregelen worden genomen om afspoeling van nutriënten en piekafvoer van regenwater vanaf het verharde erf naar het beekdal te voorkomen. In verband met het verondiepen van de beek wordt de duiker onder het erf aangepast." Voor een deel van het erf is daaraan nog toegevoegd: "En zal de huidige wadi worden uitgebreid zodat deze werkt als een moerasfilter."
Uit deze omschrijving volgt dat in ieder geval een deel van de maatregelen afhankelijk is van een nog te maken erfscan. Op de zitting hebben provinciale staten echter te kennen gegeven dat die erfscan in 2021 al heeft plaatsgevonden en dat de maatregelen die in de omschrijving bij maatregel M38 zijn genoemd en die een aanpassing van het erf behelzen zijn gebaseerd op die erfscan. Volgens provinciale staten hoeft de erfscan daarmee niet meer te worden uitgevoerd en is maatregel M38 in zoverre uitgewerkt. Tegelijkertijd is op de zitting te kennen gegeven dat onduidelijk is wat er met het erf zal gebeuren en of in het kader daarvan eventueel nog nieuwe of aanvullende maatregelen nodig zijn. [appellant sub 2] en anderen hebben in reactie hierop te kennen gegeven dat zij er niet mee bekend zijn dat er in 2021 een erfscan is uitgevoerd. Verder hebben zij laten weten dat er op het erf (nog) geen maatregelen zijn getroffen.
Uit de op de zitting gegeven toelichting blijkt dat de in de maatregel M38 genoemde erfscan al voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan is uitgevoerd en dat de daaruit volgende maatregelen al in de omschrijving bij maatregel M38 zijn opgenomen. Dat strookt niet met de wijze waarop die maatregel is omschreven. In die zin bestaat onduidelijkheid.  Dat geldt nog meer nu op de zitting de mogelijkheid dat nog een aanvullende erfscan moet worden gemaakt door provinciale staten niet is uitgesloten. Niet duidelijk is dus of de in de omschrijving van maatregel M38 weergegeven concrete aanpassingen van het erf, te weten de aanpassing van de duiker en de uitbreiding van de wadi, de enige nog uit te werken maatregelen zijn of dat er op basis van de huidige, of een eventuele toekomstige, erfscan, nog aanvullende maatregelen op het erf nodig zijn. Zoals de maatregel nu is geformuleerd is het namelijk steeds weer mogelijk om een erfscan te maken op basis waarvan maatregelen moeten worden genomen. Het is onduidelijk wat maatregel M38 precies behelst.
Het betoog slaagt in zoverre.
13.3.  Het betoog van [appellant sub 2] en anderen, ten slotte, dat op de percelen [perceelnummer 15] en [perceelnummer 16] evenwichtsbemesting zou moeten worden toegepast, terwijl uit het inrichtingsplan zou volgen dat op die gronden maatregel M39 zou moeten worden toegepast, op grond waarvan bemesting helemaal niet is toegestaan, mist feitelijke grondslag. Op deze percelen rust de bestemming "Agrarisch met waarden - grasland", met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - boom- en sierteelt". Op perceel [perceelnummer 16] rust verder ook nog de dubbelbestemming "Waarde - Essen". Voor deze percelen geldt maatregel M39 en is bemesting niet toegestaan. Nu op geen van beide percelen de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - grasland- evenwichtsbemesting" rust, is van tegenstrijdigheid geen sprake. De Afdeling voegt hier nog aan toe dat binnen het gebied waar maatregel M39 geldt ook geen andere percelen zijn gelegen waarop de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - grasland- evenwichtsbemesting" rust.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
14.     [appellant sub 2] en anderen betogen dat provinciale staten in strijd hebben gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel. In dit kader voeren zij allereerst aan dat de gebruiksbeperkingen uit het inpassingsplan verder gaan dan noodzakelijk is vanuit het oogpunt van de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied. Daarbij wordt onvoldoende gemotiveerd afgeweken van het bindend advies van het Fieldlab uit 2017 dat een minder groot plangebied adviseerde. Verder gaan de maatregelen uit het inpassingsplan, voor zover duidelijk, verder dan nodig. Hiertoe wijzen [appellant sub 2] en anderen op maatregel M39, waarin door provinciale staten wordt gesteld dat er een matig risico op uit- en afspoeling is, terwijl ook uitdrukkelijk wordt vermeld dat er geen knelpunten zijn op het gebied van nutriënten in het grondwater ten westen van de Slenkteweg. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat een beperking op bemesting noodzakelijk is, aldus [appellant sub 2] en anderen.
14.1.  Uit paragraaf 1.7 van het inrichtingsplan blijkt dat het Fieldlab de in het beheerplan beschreven voorgenomen maatregelen nader heeft uitgewerkt om de exacte omvang en gevolgen van de maatregelen op perceelsniveau inzichtelijk te maken. Het Fieldlab bestaat uit deskundigen die op basis van kennis en ervaring de drie hoofdpijlers van het project, te weten hydrologie, ecologie en landbouweconomie, met elkaar combineren. Provinciale staten hebben in het verweerschrift uiteengezet dat het eerste advies van het Fieldlab niet is overgenomen, omdat dit advies niet voldeed aan de eisen van het voorzorgsbeginsel.
De Afdeling stelt vast dat op provinciale staten geen wettelijke verplichting rustte om een advies door het Fieldlab te laten opstellen en - in het verlengde daarvan - dat advies te volgen. Provinciale staten hebben voldoende gemotiveerd waarom zij dit advies niet hebben overgenomen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
14.2.  Maatregel M39 houdt in dat [appellant sub 2] en anderen op een deel van hun percelen moeten stoppen met bemesten. Provinciale staten hebben toegelicht dat deze maatregel in het inrichtingsplan is opgenomen om verzuring van de grond als gevolg van de omzetting van pyriet naar sulfide door oxidatie tegen te gaan. Daarmee ziet deze maatregel niet zozeer op het tegengaan van de uitspoeling van nutriënten uit mest, maar op het tegengaan van verzuring als gevolg van oxidatie. Hiermee hebben provinciale staten voldoende onderbouwd dat deze beperking op bemesting noodzakelijk is.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
15.     [appellant sub 2] en anderen betogen ten slotte dat er onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen en dat provinciale staten handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De planologische en feitelijke gebruiksbeperkingen van een deel van hun percelen zijn dusdanig verstrekkend dat uitoefening van hun agrarisch bedrijf niet meer mogelijk is, terwijl er geen vervangend passend bedrijf of anderszins compensatie is geregeld.
15.1.  Provinciale staten moeten naast de belangen van de natuurontwikkeling ook de belangen van daardoor benadeelden, zoals [appellant sub 2] en anderen, in hun afweging betrekken.
Provinciale staten hebben erkend dat het inpassingsplan een rendabele bedrijfsvoering van het bedrijf van [appellant sub 2] en anderen onmogelijk maakt. Dat zij hierdoor niet langer hun bedrijf kunnen exploiteren, betekent naar het oordeel van de Afdeling echter niet dat provinciale staten niet in redelijkheid groter gewicht hebben kunnen toekennen aan de natuurontwikkeling dan aan de bedrijfsbelangen van [appellant sub 2] en anderen. Het inpassingsplan is opgesteld om te voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied en daarmee om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen die volgen uit de Habitatrichtlijn.
Dat op het moment van de vaststelling van het inpassingsplan nog geen overeenstemming met [appellant sub 2] en anderen was bereikt over de wijze waarop de negatieve gevolgen kunnen worden weggenomen, betekent niet dat provinciale staten niet in redelijkheid tot die vaststelling hebben kunnen overgaan. Daarbij acht de Afdeling van belang dat uitvoering van het inpassingsplan uitsluitend mogelijk zal zijn door minnelijke verwerving dan wel onteigening van de voor die uitvoering benodigde gronden en dat [appellant sub 2] en anderen in dat kader aanspraak kunnen maken op volledige schadeloosstelling. Daarbij zal ook rekening worden gehouden met eventuele waardevermindering van resterende gronden die niet nodig zijn voor de uitvoering van het inpassingsplan. Ook inkomstenderving is bij de schadeloosstelling inbegrepen. Hiermee zijn de belangen van [appellant sub 2] en anderen voldoende gewaarborgd (vergelijk ook de uitspraken van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1012, onder 38.2, en van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1072, onder 83.2).
Het betoog slaagt niet.
Beroep Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen
16.     Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen zijn eigenaar van een deel van de Springendalse beek, die in het Natura 2000-gebied ‘Springendal en Dal van de Mosbeek’ ligt en in oostelijke richting stroomt vanaf de stuwwal van Ootmarsum richting de Dinkel. Zij exploiteren een textielreinigingsbedrijf aan die beek. Dijkkamp woont naast het bedrijf, eveneens aan de beek.
Een deel van de gronden waar de beek doorheen stroomt, heeft op grond van het inpassingsplan de enkelbestemming "Natuur" gekregen. Het gaat om de gronden die ten westen van het bedrijf zijn gelegen.
Beroepsgronden en beoordeling daarvan
17.     Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen betogen dat provinciale staten het inrichtingsplan niet ten grondslag hebben mogen leggen aan het inpassingsplan. Het inrichtingsplan, waarin nader is uitgewerkt welke maatregelen getroffen worden om de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied te bereiken, is opgesteld door LTO-Noord, een organisatie die de belangen van de agrarische sector en betrokken boeren, tuinders en ondernemers in Noord-Nederland behartigt. Gelet hierop staat niet vast dat zij voldoende inhoudelijk deskundig zijn om provinciale staten te adviseren over de uitwerking van de maatregelen die moeten worden getroffen om de instandhoudingsdoelstellingen blijvend te bereiken. Hiervoor had een daartoe (wetenschappelijk) gespecialiseerd bureau, dat op basis van kennis, expertise en ervaring terzake voldoende deskundig is, ingeschakeld moeten worden, aldus Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen.
17.1.  Zoals hiervoor onder 2 uiteen is gezet, zijn de maatregelen die leiden tot het behoud van de habitattypen en het voorkomen van verslechtering daarvan beschreven in het beheerplan. Dit beheerplan is door gedeputeerde staten van Overijssel vastgesteld. In paragraaf 1.7 van het inrichtingsplan is uiteengezet dat de voorgenomen maatregelen in het beheerplan op hoofdlijnen zijn beschreven en dat nadere detaillering en uitwerking van de gebiedsanalyse noodzakelijk is om de exacte omvang en gevolgen van de maatregelen op perceelsniveau inzichtelijk te maken. Dit is gebeurd door het Fieldlab, met als doel te komen tot een definitief inrichtingsplan. Het Fieldlab bestaat uit deskundigen die op basis van kennis en ervaring de drie hoofdpijlers van het project, te weten hydrologie, ecologie en landbouweconomie, met elkaar combineren.
In paragraaf 1.4.2 van de plantoelichting is beschreven dat per Natura 2000-gebied een gebiedsproces is opgestart voor de realisatie van de benodigde externe maatregelen in de uitwerkingsgebieden. Een gebiedsproces wordt per gebied getrokken door een van de vijftien Overijsselse organisaties die het akkoord "Samen werkt beter" hebben ondertekend. Tijdens het gebiedsproces zijn alle benodigde maatregelen verder onderbouwd en geconcretiseerd en afgestemd met de grondeigenaren en andere belanghebbenden in het gebied. De uitkomsten zijn verwerkt in het inrichtingsplan, aldus de plantoelichting. In het verweerschrift hebben provinciale staten toegelicht dat LTO-Noord de trekker (het aanspreekpunt) is geweest van het gebiedsproces Springendal en Dal van de Mosbeek, maar dat daarbij ook vele andere partners zijn betrokken, zoals de gemeentes Dinkelland en Tubbergen, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, waterschap Vechtstromen, Landschap Overijssel en de provincie Overijssel zelf.
17.2.  Gelet op het voorgaande mist het betoog van Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen dat het inrichtingsplan door LTO-Noord is opgesteld en dat LTO-Noord provinciale staten heeft geadviseerd over de uitwerking van de maatregelen die moeten worden getroffen om de instandhoudingsdoelstellingen blijvend te bereiken, feitelijke grondslag.
Dat, naar Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen hebben gesteld, in het inrichtingsplan de agrarische belangen boven die van de natuur zouden zijn gesteld, volgt de Afdeling niet. In het inrichtingsplan zijn de maatregelen uitgewerkt die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied te bereiken. Hieruit blijkt dat het inrichtingsplan is opgesteld ten behoeve van het belang van behoud van de natuur in dit gebied.
Het betoog slaagt niet.
18.     Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen betogen dat provinciale staten in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel hebben gehandeld.
In dat kader stellen zij allereerst dat noch voor het beheerplan noch voor het inrichtingsplan noch voor het inpassingsplan is onderzocht of de maatregelen, zoals de verondiepingsmaatregel, geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit.
Verder stellen Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen dat provinciale staten hebben erkend dat het beekwater als gevolg van de maatregelen tijdelijk troebeler wordt. Provinciale staten hebben echter niet onderzocht hoe lang de kleur van het water zal worden aangetast. Bovendien hebben zij ten onrechte in het inpassingsplan niet geborgd, bijvoorbeeld door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting, dat de maatregelen uit het inrichtingsplan pas mogen worden uitgevoerd als er maatregelen zijn doorgevoerd en in stand worden gehouden ter verzekering van de continuïteit van de bedrijfsvoering van het textielreinigingsbedrijf.
Nu provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben gedaan, hebben zij eveneens in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel. Zonder duidelijkheid over de negatieve gevolgen van het inpassingsplan kan immers niet worden geconcludeerd dat deze gevolgen niet onevenredig zijn ten opzichte van de met het inpassingsplan te dienen doelen, aldus Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen.
18.1.  Provinciale staten hebben gesteld dat wel degelijk is onderzocht of de maatregelen een negatief effect hebben op de waterkwaliteit. In dat kader hebben zij gewezen op het onderzoek van Aqualysis, waaruit volgt dat de waterkwaliteit niet verslechtert. Dit onderzoek is als bijlage bij de planregels gevoegd.
Provinciale staten hebben verder uiteengezet dat het beekwater als gevolg van de maatregelen aan de beek gedurende enige tijd troebeler zal worden en dat dat een mogelijk effect heeft op het wasproces van het textielreinigingsbedrijf. Provinciale staten hebben laten weten dat hiervoor in overleg met het bedrijf een oplossing, zoals een tijdelijke leiding, gevonden moet worden en dat in zoverre mitigerende maatregelen zullen worden getroffen. Voor zover dat toch niet zou lukken en het bedrijf schade lijdt als gevolg van de maatregelen, kan het bedrijf een verzoek om nadeelcompensatie doen, aldus provinciale staten.
18.2.  Uit de door provinciale staten gegeven toelichting blijkt dat de gevolgen voor de waterkwaliteit zijn onderzocht. Verder hebben zij zowel schriftelijk als op de zitting uitdrukkelijk erkend dat het beekwater tijdelijk troebeler zal worden en dat daarvoor in overleg met het textielreinigingsbedrijf een oplossing moet worden gevonden, zodat de gevolgen van de maatregelen voor de bedrijfsvoering van het textielreinigingsbedrijf zullen worden gemitigeerd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat provinciale staten in strijd hebben gehandeld met het zorgvuldigheids- of evenredigheidsbeginsel. Dat provinciale staten niet in het inpassingsplan hebben geborgd dat die oplossing moet zijn gevonden voordat de maatregelen uit het inrichtingsplan worden uitgevoerd, maakt het voorgaande niet anders. Anders dan Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen stellen hoefden provinciale staten dit niet te doen en maakt het ontbreken van die borging in het inpassingsplan niet dat het inpassingsplan om die reden onrechtmatig is.
18.3.  Het betoog slaagt niet.
19.     Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen stellen verder dat provinciale staten ten onrechte de huidige grondwaterstanden niet in kaart hebben gebracht. Daarmee hebben zij niet onderbouwd dat de grondwaterstanden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, daadwerkelijk te laag zijn en dat er dus maatregelen noodzakelijk zijn om de grondwaterstand te verhogen. Verder stellen Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen dat áls al vaststaat dat sprake is van verdroging, de oorzaak daarvan niet in kaart is gebracht. In het inrichtingsplan is uiteengezet dat de verdroging drie oorzaken kan hebben, te weten de diepe ligging van de beek (als gevolg van erosie), menselijk handelen (demping loopjes en afvangen grondwater) en landbouwonttrekkingen uit oppervlakte- en grondwater. Daarbij is uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat geen zicht is op de omvang van de landbouwonttrekkingen. Daarnaast is de omvang van de menselijke aanpassingen niet in kaart gebracht, terwijl dat de grootste oorzaak van de gestelde verdroging is. Gelet hierop is het inpassingsplan onzorgvuldig voorbereid. Bovendien wordt in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel. Zo staat niet vast dat de maatregelen die met het inpassingsplan mogelijk worden gemaakt noodzakelijk zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken, aldus Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen. Bovendien is nergens wetenschappelijk of anderszins cijfermatig onderbouwd dat als gevolg van de verondiepingsmaatregelen de grondwaterstand daadwerkelijk en blijvend stijgt tot de noodzakelijke grondwaterstand. Gelet op de ernstige belemmeringen die de maatregelen hebben voor haar bedrijfsactiviteiten, is deze onderbouwing noodzakelijk, aldus Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen.
Voor zover de noodzaak van de maatregelen wel vaststaat, voeren Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen aan dat onvoldoende is onderzocht of met minder ingrijpende maatregelen kan worden volstaan. Zo is geen onderzoek gedaan naar de maatregelen die getroffen kunnen worden om de wateronttrekkingen ten behoeve van de landbouw tegen te gaan. Het beperken hiervan of het handhavend optreden hiertegen is minder ingrijpend dan het verondiepen van de Springendalse beek. Er wordt dan namelijk niets in de beek gestort. Ook is onduidelijk of maatregelen kunnen worden getroffen om de verdrogingseffecten van menselijke aanpassingen tegen te gaan. Verder wijzen Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen erop dat provinciale staten niet hebben onderbouwd waarom de verondieping over de gehele Springendalse beek plaatsvindt, terwijl de habitattypen waarvoor de maatregelen worden getroffen maar op (zeer) beperkte plaatsen rondom die beek voorkomen. Daarnaast blijkt uit het beheerplan dat het ophogen van de Springendalse beek op verschillende manieren kan: het storten van zand en grind is niet de enige mogelijkheid. Nu provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar alternatieven, is het inpassingsplan in strijd met het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel genomen, aldus Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen.
19.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat provinciale staten de huidige grondwaterstanden niet in kaart hebben gebracht. Provinciale staten hebben in dit kader gesteld dat dit ook niet mogelijk is vanwege de verschillende grondlagen en de ligging van het gebied in een stuw.
Dat de grondwaterstanden niet in kaart zijn gebracht, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat provinciale staten zich niet op het standpunt hebben kunnen stellen dat sprake is van verdroging. In dit kader is van belang dat uit het inrichtingsplan blijkt dat verdroging niet alleen aan de hand van de grondwaterstand kan worden vastgesteld, maar ook aan de hand van uiterlijke kenmerken, zoals het voorkomen van de Grote brandnetel en de Gewone braam. Dat deze kenmerken in het gebied voorkomen, is door het Fieldlab geconstateerd op basis van veldwaarnemingen en eveneens vermeld in het inrichtingsplan. Daarmee hebben provinciale staten voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van verdroging en dat, nu verdroging een belangrijk knelpunt is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, in dat kader maatregelen tegen verdroging noodzakelijk zijn.
De Afdeling volgt Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen in het betoog dat uit het inrichtingsplan blijkt dat niet alleen de diepe ligging van de beek (als gevolg van erosie) een oorzaak van verdroging is, maar dat ook menselijk handelen en landbouwonttrekkingen verdroging kunnen veroorzaken en dat provinciale staten de omvang van deze twee oorzaken niet volledig in kaart hebben gebracht. Dat betekent echter niet dat provinciale staten zich niet op het standpunt hebben kunnen stellen dat verondieping van de beek een effectieve maatregel tegen verdroging is. In dit kader is van belang dat uit de Hydrologische Notitie, die als bijlage bij het inrichtingsplan is gevoegd, volgt dat ondanks de omstandigheid dat de absolute grondwaterstanden niet in kaart zijn gebracht, berekend kan worden welke effecten de verandering van het beekpeil hebben op het grondwater. Uit deze berekeningen kan worden afgeleid dat een verhoging van de bodem van de Springendalse beek tot een daarmee corresponderende verhoging van de grondwaterstand zal leiden. Daarmee hebben provinciale staten voldoende onderbouwd dat de verondieping van de beek tot een hogere grondwaterstand zal leiden en daarmee verdroging zal tegengaan.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
19.2.  Dat, naar Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen betogen, er ook andere maatregelen mogelijk zijn die tot een hogere grondwaterstand leiden, betekent verder niet dat provinciale staten niet voor verondieping van de beek hadden mogen kiezen. In dit kader is van belang dat provinciale staten, zoals hiervoor is overwogen, voldoende hebben onderbouwd dat dit een effectieve maatregel is. Verder is deze maatregel weinig ingrijpend, aangezien de effecten op de bedrijfsvoering van het textielreinigingsbedrijf niet alleen tijdelijk zijn, maar ook voorkomen kunnen worden door in overleg met het bedrijf mitigerende maatregelen, zoals de aanleg van een tijdelijke leiding, te treffen.
Voor zover Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen ten slotte betogen dat provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar alternatieve manieren om de beek te verondiepen, volgt de Afdeling dit betoog niet. Provinciale staten hebben onweersproken gesteld dat verondieping van de gehele beek noodzakelijk is omdat de beek als één groot watersysteem moet worden gezien. Verder kan uit het beheerplan worden afgeleid dat verondieping van een beek weliswaar op verschillende manieren mogelijk is, maar dat het merendeel van die manieren slechts een tijdelijk effect heeft. Het storten van zand heeft geen tijdelijk effect en is bovendien het meest effectief en duurzaam gebleken, zo volgt uit het beheerplan.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
20.     Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen wijzen erop dat twee evidente privaatrechtelijke belemmeringen in de weg staan aan de uitvoering van de verondiepingsmaatregel die ziet op de Springendalse beek. In de eerste plaats heeft de verondieping betrekking op de gehele Springendalse beek en daarmee ook op het gedeelte dat in hun eigendom is. Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen hebben geen toestemming voor de verondieping gegeven en zullen dat ook niet doen. In de tweede plaats beschikken Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen over een waterrecht ten aanzien van de Springendalse beek. Dit recht houdt in dat de bronnen op de bestaande percelen in dezelfde toestand behoren te blijven als waarin zij zich bevonden in 1918, zonder dat zij daarin veranderingen mogen aanbrengen. Aangezien zij geen zekerheid hebben verkregen dat de verondiepingsmaatregel geen negatief effect heeft op de waterkwaliteit in de beek, staat ook het waterrecht aan de uitvoering van de maatregel in de weg, aldus Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen.
20.1.  Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een inpassingsplan in de weg staat bestaat alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. Vergelijk de uitspraak van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3216, onder 16.3.
De aanwezigheid van een zakelijk recht, zoals een eigendomsrecht, is in beginsel voor de uitvoerbaarheid van een inpassingsplan niet doorslaggevend. Dit is slechts anders indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het plan leidt tot strijd met een zakelijk recht en tevens vaststaat dat niet tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan.
20.2.  Op grond van artikel 2.6, derde lid, van de Wet natuurbescherming (nu: artikel 10.10b, eerste lid, van de Omgevingswet) dient een eigenaar van een onroerende zaak feitelijke handelingen die de provincie gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied verricht of laat verrichten te gedogen. Dat soort handelingen worden met het inpassingsplan mogelijk gemaakt. Gelet hierop, staat het eigendomsrecht van Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen niet aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan in de weg. Naar het oordeel van de Afdeling kan zonder nader onderzoek verder niet worden vastgesteld dat het plan leidt tot strijd met het waterrecht. Dit betekent dat alleen al hierom het waterrecht niet als een evidente privaatrechtelijke belemmering kan worden aangemerkt die aan de uitvoerbaarheid van (de maatregelen in) het inpassingsplan in de weg staat.
20.3.  Het betoog slaagt niet.
21.     Volgens Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen hebben provinciale staten onvoldoende onderzoek gedaan naar de maatregelen die getroffen kunnen worden om de beekprik te beschermen. Zij wijzen erop dat negatieve effecten op de beekprik als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden niet kunnen worden uitgesloten. In het bijzonder kan de voorgenomen zandsuppletie op modderige delen in de beek een negatief effect op de beekprik hebben. Daar bevinden zich namelijk de larven van de beekprik. Uit het beheerplan blijkt ook dat werkzaamheden aan de beek kunnen leiden tot ernstige verstoringen ten aanzien van deze soort. Daarin is uiteengezet dat (graaf)werkzaamheden zorgvuldig moeten plaatsvinden en dat sedimentatiemaatregelen geleidelijk moeten worden uitgevoerd. Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat het storten van grote hoeveelheden zand in de beek een significant verstorend effect op het leefgebied van de beekprik heeft. Evenmin zijn de noodzakelijke maatregelen planologisch geborgd. Volgens Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen is niet aannemelijk dat de Wet natuurbescherming niet aan de uitvoering van het inpassingsplan in de weg staat.
21.1.  Provinciale staten mogen het plan niet vaststellen als en voor zover zij op voorhand redelijkerwijs hadden moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Voorafgaand aan de vaststelling van het plan is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. Hierin is onder verwijzing naar de Quickscan Flora en Fauna, die is opgesteld door Eelerwoude, uiteengezet dat met de voorgenomen werkzaamheden geen negatieve effecten op de beekprik zijn te verwachten, mits de zandsuppletie in de Springendalse beek niet op de modderige delen waar larven aanwezig kunnen zijn uitgevoerd worden. Op de zitting hebben provinciale staten laten weten hiermee rekening te houden.
Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet.
22.     Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen hebben ten slotte verzocht om de inhoud van haar zienswijze als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen. De Afdeling overweegt in dit kader dat in de nota van zienswijzen behorende bij het inpassingsplan is ingegaan op deze zienswijze. Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen hebben in hun beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
Beroep [appellant sub 3]
23.     [appellant sub 3] heeft een veehouderijbedrijf aan de [locatie 3] in Nutter. Op een groot deel van de bij het veehouderijbedrijf behorende gronden, te weten ruim 11 ha, is op grond van het inpassingsplan de bestemming "Agrarisch - 2a" met onder meer de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - grasland - evenwichtsbemesting" komen te rusten.
Beroepsgrond en beoordeling daarvan
24.     [appellant sub 3] betoogt dat de jaarlijks vergoeding van € 1.000,- per jaar die wordt verstrekt om te voldoen aan de voorwaarde van evenwichtsbemesting en de vergoeding van enkele honderden euro’s voor een bemestingsplan, zonder dat daarbij is voorzien in een inflatiepercentage, te laag is. Verder wijst hij erop dat zijn buurman, die slechts een halve hectare bezit, recht heeft op een even hoge vergoeding als hijzelf, terwijl het bij hem om een veel groter oppervlak gaat.
24.1.  De Afdeling begrijpt dit betoog zo dat provinciale staten volgens [appellant sub 3] de maatregel van evenwichtsbemesting niet konden opleggen zonder daarvoor een redelijke vergoeding te verstrekken.
24.2.  In het verweerschrift hebben provinciale staten uiteengezet dat elke grondeigenaar jaarlijks een deelnemersvergoeding van € 1.000,- krijgt voor het toepassen van evenwichtsbemesting. Bij dit bedrag is ervan uitgegaan dat een grondeigenaar in totaal 20 uur per jaar kwijt is aan het uitvoeren van de maatregel, waarvan hij vijf keer per jaar twee uur (en dus in totaal 10 uur) overlegt met een uitmijnbegeleider, zeven uur spendeert aan extra veldwerk, registratie en administratie, en gedurende drie uur bijeenkomsten bijwoont om kennis en ervaring te delen. Per uur wordt een vergoeding van € 50,- toegekend. Volgens provinciale staten heeft de hoeveelheid grond geen invloed op de hoogte van deze vergoeding, omdat voor iedere grondeigenaar de omvang van de werkzaamheden die gepaard gaan met het bijhouden van de stikstofboekhouding gelijk is.
24.3.  Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt hoe zij tot het aantal van 20 uren zijn gekomen en waarom dit aantal niet afhankelijk is van het oppervlak van de gronden waarop evenwichtsbemesting plaatsvindt. Zo hebben provinciale staten niet gemotiveerd waarom is uitgegaan van een vast aantal uren per jaar, ongeacht de grootte van de percelen of de soort(en) gewassen die daar worden verbouwd. Daar komt bij dat, zoals hiervoor onder 7.3.2.3 is overwogen, onduidelijk is aan welke eisen de boekhouding moet voldoen en op welke manier door de agrariër inzichtelijk kan of moet worden gemaakt hoeveel mest aan de grond is onttrokken. Gelet op het voorgaande, hebben provinciale staten onvoldoende gemotiveerd dat de vergoeding voor de maatregel van evenwichtsbemesting redelijk is.
24.4.  Het betoog slaagt.
Beroep maatschap [appellant sub 4]
25.     [appellant sub 4] exploiteert een veehouderijbedrijf met landschapscamping aan de [locatie 4] in Nutter.
Beroepsgrond en beoordeling daarvan
26.     [appellant sub 4] betoogt dat door het inpassingsplan de camping moet worden verplaatst, maar dat het inpassingsplan hierin niet voorziet. Daarmee hebben provinciale staten onzorgvuldig gehandeld.
26.1.  Provinciale staten hebben erkend dat de camping van de maatschap verplaatst moet worden naar het perceel met kadastrale aanduiding [perceelnummer 17], maar dat het inpassingsplan die verplaatsing nu niet mogelijk maakt, omdat aan dit perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Grasland" is toegekend en op grond van deze bestemming een minicamping niet is toegestaan. Provinciale staten hebben te kennen gegeven hierin te willen voorzien door op het perceel met kadastrale aanduiding [perceelnummer 17] de bestemming "Agrarisch met waarden - grasland" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - 1". Op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder j, van de planregels zou daarmee bij recht een minicamping op de gronden worden toegestaan, aangezien aan de gronden nu al wel de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - minicamping" is toegekend. De maatschap heeft op de zitting laten weten dat zij hiermee instemt.
Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en slaagt het betoog.
Conclusie
27.     Gelet op wat hiervoor onder 7.3.2 - 7.3.2.4, 11.1, 12 - 12.5, 13.2. 24.3 en 26.1 is overwogen, is de conclusie dat provinciale staten het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in strijd met de artikelen 3:2, artikel 3:4, tweede lid, en 3:46 van de Awb hebben genomen. Op grond van artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling provinciale staten opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat is overwogen onder 7.3.2 - 7.3.2.4, 11.1, 12 - 12.5, 13.2. 24.3 en 26.1 de gebreken te herstellen. Provinciale staten moeten de Afdeling, [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en maatschap [appellant sub 4] schriftelijk meedelen op welke wijze de gebreken in het bestreden besluit zijn hersteld en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend maken.
28.     In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en maatschap [appellant sub 4]. Tevens zal daarin worden geoordeeld over het door maatschap [appellant sub 4] gedane verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
29.     Het beroep van Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen is ongegrond. Voor hun beroep is deze uitspraak de einduitspraak en daarmee is voor hen een einde gekomen aan deze procedure.
30.     Provinciale staten hoeven geen proceskosten te vergoeden aan Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
Einduitspraak
I.        verklaart het beroep van Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen ongegrond.
Tussenuitspraak
II.       draagt provinciale staten van Overijssel op om:
- binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat in rechtsoverwegingen 7.3.2 - 7.3.2.4, 11.1, 12 - 12.5, 13.2. 24.3 en 26.1 is overwogen de gebreken in het besluit van 25 januari 2023 dat strekt tot vaststelling van het inpassingsplan "Springendal en Dal van de Mosbeek" te herstellen;
- de Afdeling, [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en maatschap [appellant sub 4] de uitkomst mee te delen en het eventuele nieuwe besluit toe te sturen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzitter
w.g. Ouwehand
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
752