ECLI:NL:RVS:2026:4148
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake beëindiging schuldhulpverlening en niet-ontvankelijkheid bezwaar
Appellant meldde zich op 13 januari 2023 aan bij de Sociale Dienst Drechtsteden voor schuldhulpverlening, waarna een plan van aanpak werd opgesteld. Op 1 mei 2023 beëindigde het dagelijks bestuur de schuldhulpverlening wegens onvoldoende medewerking van appellant. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit.
Na een gesprek met appellant trok het dagelijks bestuur op 21 juni 2023 het besluit van 1 mei 2023 in en hervatte de schuldhulpverlening. Vervolgens verklaarde het dagelijks bestuur het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze niet-ontvankelijkverklaring eveneens niet-ontvankelijk.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij ten onrechte niet was gehoord en dat hij wel procesbelang had omdat de schuldhulpverlening niet feitelijk was hervat en hij schade had geleden. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, vernietigde de uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond omdat de schuldhulpverlening juridisch was hervat en appellant geen bewijs van schade had geleverd.
De Afdeling gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht aan appellant. Hiermee is het geschil over de beëindiging van de schuldhulpverlening definitief beslecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de schuldhulpverlening juridisch is hervat en appellant geen procesbelang meer heeft.