AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek tegen staatsraden in hogerberoepszaak bestuursrecht
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie staatsraden die betrokken zijn bij de behandeling van zijn hogerberoepszaak. Hij stelde dat de staatsraden niet onpartijdig zouden zijn vanwege de afwijzing van zijn verzoek om uitstel van de zitting, het plotseling wegvallen van zijn rechtsbijstandverlener en de onmogelijkheid om vier complexe zaken tegelijk voor te bereiden.
De staatsraden hebben in hun schriftelijke reactie toegelicht dat zij het verzoek om uitstel hebben afgewezen vanwege de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, zijn moeilijk bereikbaarheid en het feit dat een gezamenlijke behandeling van de zaken wenselijk was. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vastgesteld dat de beslissing tot afwijzing van het uitstelverzoek door de staatsraden zelf is genomen en niet door de griffier.
De Afdeling overwoog dat wraking niet bedoeld is als middel tegen procesbeslissingen, tenzij deze aanwijzingen van partijdigheid opleveren. De Afdeling vond geen feiten die de schijn van partijdigheid rechtvaardigen, ook niet vanwege het ontbreken van een motivering bij de afwijzing van het uitstelverzoek. Verder bleek uit het dossier dat verzoeker tijdig was uitgenodigd en om verhinderdata was gevraagd.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en is de onpartijdigheid van de staatsraden niet aangetast.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de staatsraden wordt afgewezen wegens ontbreken van feiten die rechterlijke onpartijdigheid aantasten.
Uitspraak
202406514/2/A2.
Datum beslissing: 8 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
Bij e-mailbericht van 24 april 2026, ingekomen op, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraden mr. W. den Ouden, mr. P.H.A. Knol en mr. J.J.W.P. van Gastel (staatsraden) als leden van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak nr. 202406514/1/A2 en drie andere zaken.
Bij e-mailbericht van 29 april 2026 heeft [verzoeker] vermeld dat zijn verzoek tot wraking alleen betrekking heeft op de zaak met nummer 202406514/1/A2
De staatsraden hebben niet in de wraking berust.
De staatsraden hebben een schriftelijke reactie gegeven.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op zitting behandeld op 1 mei 2026, waar [verzoeker], is verschenen. De staatsraden hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 vanPro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Verzoek om wraking
2. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de staatsraden bij hem de gerechtvaardigde vrees hebben gewekt niet onpartijdig te oordelen.
Hij voert ten eerste aan dat hij een gemotiveerd verzoek om uitstel van de behandeling van zijn hoger beroep op de zitting van 29 april 2026 heeft gedaan, waarin hij heeft gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden, het plotseling wegvallen van zijn rechtsbijstandverlener en de onmogelijkheid om vier complexe zaken, die alle op 29 april 2026 op zitting zouden worden behandeld, voor te bereiden. Dit verzoek is zonder inhoudelijke motivering en kenbare belangenafweging afgewezen. Die beslissing tot afwijzing, die bovendien door de griffier is genomen, is volgens [verzoeker] kennelijk onredelijk.
Hij voert verder aan dat de wettelijke voorbereidingstermijn van artikel 8:56 vanPro de Awb is geschonden en dat hem, anders dan in zijn andere bij de Afdeling aanhangige zaken, niet om verhinderdata is gevraagd. Volgens [verzoeker] is welbewust gekozen voor een werkwijze die hem in een nadeliger positie brengt.
Reactie van de staatsraden
3. De staatsraden hebben er in hun schriftelijke reactie op gewezen dat de beslissing op het verzoek om uitstel door hen is genomen en niet door de griffier. Zij hebben in hun reactie toegelicht waarom zij het verzoek om uitstel hebben afgewezen. Zij hebben toegelicht dat [verzoeker] lastig per post te bereiken is, meermaals heeft aangegeven geen toegang te hebben tot zijn eigen dossiers en blijkbaar niet makkelijk rechtsbijstand kan vinden. Deze omstandigheden vormden voor de staatsraden reden om het verzoek om uitstel af te wijzen. Volgens de staatsraden is in deze situatie een zitting bij uitstek de gelegenheid om te bespreken of de dossiers compleet zijn, welke stukken [verzoeker] nog mist en of de behandeling van het hoger beroep gezien het recht op een eerlijk proces de aanwezigheid van een advocaat vereisen. Zij hebben ook aangegeven er rekening mee te houden dat het onderzoek niet gesloten zou kunnen worden of later heropend zou moeten worden. De behandeling van vier zaken op één dag was volgens de staatsraden gedaan omdat de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] in alle zaken worden aangevoerd en drie zaken een sterke inhoudelijke samenhang vertonen. Bovendien, zo staat in de reactie, heeft [verzoeker] aangegeven geen geld te hebben om naar de zitting te komen, wat een gezamenlijke behandeling van zijn hoger beroepen ook wenselijk maakt.
Beoordeling van het verzoek
4. De Afdeling wijst er ten eerste op dat de beslissing om het verzoek om uitstel af te wijzen niet is genomen door de griffier, maar door de staatsraden. In het bericht van 24 april 2026 dat naar [verzoeker] is verzonden, staat dat de Afdeling geen aanleiding ziet om de behandeling van de zaak uit te stellen. Hieruit volgt dat de Afdeling, zijnde de staatsraden die in de onderhavige meervoudige kamer zitting hebben, de beslissing heeft genomen om het verzoek om uitstel af te wijzen. Dat de griffier de e-mail waarmee deze beslissing aan verzoeker bekend wordt gemaakt, heeft ondertekend, maakt dat niet anders. Dat wat [verzoeker] hierover heeft aangevoerd, laat de Afdeling daarom buiten bespreking.
5. De beslissing op een verzoek om uitstel is een procesbeslissing. De vraag of dit soort beslissingen juist is, staat niet ter beoordeling in de wrakingsprocedure, omdat het instrument van wraking niet is bedoeld om aan te wenden als rechtsmiddel tegen de inhoud van procesbeslissingen. Zulke procesbeslissingen kunnen slechts leiden tot inwilliging van een wrakingsverzoek, als deze op zich, dan wel in onderlinge samenhang bezien, dan wel bezien in samenhang met het verdere optreden van de staatsraden, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat daaruit blijkt van partijdigheid of vooringenomenheid van de staatsraad die de beslissing of beslissingen heeft genomen.
6. In wat [verzoeker] heeft aangevoerd, heeft de Afdeling geen grond gevonden voor het oordeel dat een situatie als hiervoor bedoeld zich in dit geval voordoet. De Afdeling stelt vast de afwijzing van het verzoek niet is gemotiveerd. Het ontbreken van een motivering is naar het oordeel van de Afdeling echter onvoldoende om (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid van de staatsraden aan te nemen. Niet is gebleken dat met die beslissing op enigerlei wijze is vooruitgelopen op de inhoudelijke beoordeling van de zaak en de te maken beoordeling van het geschil door de staatsraden. De Afdeling wijst er daarbij nog op dat de staatsraden in de reactie op het verzoek tot wraking uiteen hebben gezet dat, en welke, omstandigheden zij hebben meegenomen bij de afwijzing van het verzoek om uitstel.
7. Over het betoog van [verzoeker] dat de partijdigheid van de staatsraden volgt uit het feit dat de uitnodiging voor de zitting niet ten minste drie weken voor de zitting is verzonden en hem niet om verhinderdata is gevraagd, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het dossier blijkt dat [verzoeker] bij brief van 22 augustus 2025 is gevraagd om zijn verhinderdata door te geven. Hij is bij brief 3 maart 2026 uitgenodigd voor een zitting op 29 april 2026. Dat is meer dan drie weken voor de zitting. Beide brieven zijn verzonden naar het adres dat [verzoeker] op zijn brieven heeft vermeld. Het verzoek om wraking mist in zoverre feitelijke grondslag.
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande, komt de Afdeling tot het oordeel dat [verzoeker] geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek om wraking moet daarom worden afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.