ECLI:NL:RVS:2026:4146

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202405945/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3.9 WaboArt. 4:15 AwbArt. 4:20b AwbArt. 4:20c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning van rechtswege verleend na niet tijdig beslissen door college Utrecht

De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om zijn aanvraag om een omgevingsvergunning buiten behandeling te stellen. De aanvraag was ingediend op 13 mei 2020 en betrof het gedeeltelijk vervangen en/of vernieuwen van de achterzijde van een pand aan de [locatie A] in Utrecht.

Het college had niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken een besluit genomen, ondanks een verlenging van zes weken en een opschorting wegens het verzoek om aanvullende gegevens. Bij brief van 17 september 2020 stelde het college dat het geen besluit zou nemen omdat appellant geen belanghebbende zou zijn en de aanvraag geen aanvraag in de zin van de Awb zou zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat op grond van artikel 4:20b van de Awb bij het niet tijdig beslissen een vergunning van rechtswege is verleend. De brief van het college kan niet worden gezien als een weigering van een besluit. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van 18 oktober 2023 wordt vernietigd en het college wordt opgedragen de vergunning van rechtswege bekend te maken.

Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, maar het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant. De Afdeling erkent dat deze procedure mogelijk niet het einde betekent van het langdurige conflict tussen partijen.

Uitkomst: De vergunning is van rechtswege verleend vanwege het niet tijdig beslissen door het college, het besluit tot buiten behandeling stellen wordt vernietigd.

Uitspraak

202405945/1/R4.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 1 augustus 2024 in zaak nr. 23/5558 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij brief van 17 september 2020 heeft het college aan [appellant] te kennen gegeven dat het geen besluit neemt op zijn verzoek om omgevingsvergunning.
Bij besluit van 18 oktober 2023 heeft het college opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de brief van 17 september 2020 beslist en de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H. van Gellekom en mr. M. Snippe, vergezeld door B. Olsthoorn, M. van Ligten, mr. K. van Baaren en C. Heemskerk, is verschenen. Verder is op de zitting [partij A], bijgestaan door mr. P.J. Gijsbertsen, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 mei 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding en voorgeschiedenis
2.       [appellant] is eigenaar van het pand [locatie A] in Utrecht, dat grenst aan het pand [locatie B] dat in eigendom is van [partij A] en [partij B]. In de afgelopen jaren is een juridische strijd ontstaan tussen de eigenaren en de gemeente en de eigenaren onderling. De oorsprong van dit conflict ligt voornamelijk in de bouwkundige staat van de panden en het daaruit voorvloeiende handhavend optreden door het college door middel van het opleggen van diverse lasten met betrekking tot de keldermuur tussen [locatie A] en [locatie B], en de door [appellant] gesloopte achtergevel van [locatie A]. Naast deze procedure loopt er een grote hoeveelheid andere, veelal door [appellant] gestarte, procedures tussen de bij deze zaak betrokken partijen. Veel van deze procedures hangen met elkaar samen.
De Afdeling heeft de zaak op dezelfde dag op een zitting behandeld met zaken nrs. 202304005/1/R4, 202401101/1/R4, 202204378/1/R4, 202306418/1/R4, 202305714/1/R4, 202500274/1/R4, 202502500/1/R4, 202400249/1/R4 en 202406744/1/R4, en zal in elke zaak afzonderlijk uitspraak doen.
Waar gaat deze zaak over?
3.       Bij brief van 17 september 2020 heeft het college [appellant] geïnformeerd dat zijn bouwplan dat betrekking heeft op het vervangen en/of vernieuwen van de achterzijde van [locatie A] deels voorziet in bebouwing op het perceel [locatie B] en dat aannemelijk is dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt omdat de eigenaar van [locatie B] daarvoor geen toestemming heeft verleend. Dat betekent volgens het college dat [appellant] geen belanghebbende is en dat het verzoek van [appellant] geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) is.
4.       Bij besluit van 10 augustus 2022 heeft het college het tegen de brief van 17 september 2020 gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college is het bezwaar niet gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft in een uitspraak van 17 augustus 2023, in zaak nr. 22/4099, het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit op bezwaar van 10 augustus 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college de opdracht gegeven om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Het college heeft uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank door op 18 oktober 2023 een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Bij besluit van 18 oktober 2023 heeft het college opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de brief van 17 september 2020 beslist en de aanvraag buiten behandeling gesteld. De rechtbank heeft het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] komt in hoger beroep omdat hij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank over de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning.
5.       De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Van rechtswege gegeven vergunning
6.       [appellant] betoogt dat op grond van artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven. Volgens [appellant] heeft de brief van 17 september 2020 geen rechtsgevolg gehad. Hij stelt dat dit volgt uit de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 augustus 2023, zaak nr. 22/4099 en de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1593. Dat betekent volgens [appellant] dat het college niet binnen de in artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo genoemde termijn een besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning heeft genomen.
6.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] deze grond niet bij de rechtbank heeft aangevoerd, terwijl dit wel van hem verwacht had mogen worden. Volgens het college dient een beoordeling van deze grond daarom achterwege te blijven vanwege de grondentrechter.
6.2.    Het betoog van [appellant] dat een vergunning van rechtswege is gegeven, impliceert dat het college volgens hem niet meer bevoegd was om op 18 oktober 2023 de aanvraag buiten behandeling te laten. Een grond die betrekking heeft op de bevoegdheid om een besluit te nemen kan ook voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd en beoordeeld. De beoordeling van deze grond gaat vooraf aan de beoordeling van de overige gronden waarvoor de grondentrechter geldt. De Afdeling zal de grond dan ook inhoudelijk beoordelen.
6.3.    De Afdeling stelt vast dat [appellant] als belanghebbende op 13 mei 2020 een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb bij het college heeft ingediend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1952) is de beantwoording van de vraag of op een aanvraag om omgevingsvergunning de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, gelet op artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. De Wabo bepaalt daarmee exclusief welke procedure op een aanvraag van toepassing is. Het college heeft hierin dus geen keuze, maar dient de voorbereidingsprocedure toe te passen die uit de Wabo voortvloeit. [appellant] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gedeeltelijk vervangen en/of vernieuwen van de achterzijde van zijn pand aan de [locatie A]. De Afdeling is met het college van oordeel dat daarvoor met toepassing van artikel 4 van Pro bijlage II van het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning kan worden verleend. Dat betekent dat op de aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure als omschreven in paragraaf 3.2 van de Wabo van toepassing is, zodat het college volgens artikel 3.9 van de Wabo in eerste instantie uiterlijk op 8 juli 2020 op de aanvraag had moeten beslissen. Omdat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, brengt het bepaalde in artikel 4:20b van de Awb, opgenomen in afdeling 4.1.3.3 van de Awb, mee dat bij het niet binnen de wettelijke beslistermijn beslissen op de aanvraag een vergunning van rechtswege is gegeven.
Het college heeft [appellant] bij brief van 3 juni 2020 verzocht om aanvullende gegevens, onder opschorting van de beslistermijn, tot de aanvullende gegevens zijn ontvangen. Bij brief van 6 juli 2020 heeft het college aan [appellant] bevestigd dat de gegevens zijn ontvangen en dat de aanvraag in behandeling wordt genomen. Vervolgens heeft het college bij brief van 31 juli 2020 de beslistermijn met zes weken verlengd, als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo. Nog daargelaten of de door het college op 3 juni 2020 gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor het beslissen op de aanvraag en of de wettelijke beslistermijn op grond van artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb was opgeschort, stelt de Afdeling vast dat het college ook binnen die termijn van zes weken geen besluit op de aanvraag van 13 mei 2020 heeft genomen. Zoals hiervoor vermeld, is op de aanvraag om omgevingsvergunning het systeem van de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen als bedoeld in afdeling 4.1.3.3 van de Awb van toepassing. De bepalingen die daarin zijn opgenomen hebben te gelden als een lex specialis ten opzichte van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb. De brief van 17 september 2020, waarin het college meedeelt dat geen sprake is van een aanvraag en dat daarop niet zal worden beslist, kan daarom niet worden gelijkgesteld met de schriftelijke weigering een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1590, r.o. 4.2). Omdat het college niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, is de door [appellant] gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege gegeven.
Het betoog slaagt.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is gegrond. Wat [appellant] verder in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 oktober 2023 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Afdeling zal verder zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [appellant] tegen de brief van 17 september 2020 gegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 18 oktober 2023. Het college dient op grond van artikel 4:20c van de Awb binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning bekend te maken.
8.       De Afdeling realiseert zich dat met dit oordeel vermoedelijk nog geen einde komt aan deze reeds langlopende procedure. De Afdeling begrijpt, mede gelet op wat partijen hierover op de zitting naar voren hebben gebracht, dat dit onwenselijk is en niet waar partijen op hoopten, maar dit is nu eenmaal het gevolg van het niet tijdig beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning door het college.
9.       Het college moet de proceskosten van [appellant] vergoeden. Ten aanzien van [partij A] en [partij B] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten.
Overschrijding redelijke termijn
10.     [appellant] heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, onder overweging 17 en verder, waarin het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegewezen, kan in deze procedure worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Deze uitspraak en de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, gaan over hetzelfde onderwerp, zodat niet aannemelijk is dat door deze procedure extra spanning en frustratie bij [appellant] is veroorzaakt. Gelet op het voorgaande wijst de Afdeling het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, van 1 augustus 2024 in zaak nr. 23/5558, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard;
III.      verklaart het beroep van [appellant] gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 18 oktober 2023, kenmerk 11551838;
V.       verklaart het bezwaar van [appellant] tegen de brief van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 17 september 2020, kenmerk HZ-WABO-20-16577, gegrond;
VI.      bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII.     draagt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken dat de door [appellant] op 13 mei 2020 gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven;
VIII.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;
IX.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00;
X.       gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 463,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
700-1096
Bijlage
Awb
Artikel 1:3
[…]
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
[…].
Artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a
1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt Pro de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
[…]
Artikel 4:20b
1. Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.
[…].
Wabo
Artikel 3.9
1 Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking:
a. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag, en
b. zendt het in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen een afschrift van die beschikking.
2 Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn. Het doet daarvan tevens zo spoedig mogelijk mededeling op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.
3 Paragraaf. 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen worden aangewezen waarin de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag wegens strijd met een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie is uitgezonderd van de toepassing van de eerste volzin.
4 Het bevoegd gezag doet zo spoedig mogelijk mededeling van de bekendmaking, bedoeld in artikel 4:20c van de Algemene wet bestuursrecht, op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.