ECLI:NL:RVS:2026:4142
Raad van State
- Hoger beroep
- E.A. Minderhoud
- N.H. van den Biggelaar
- A.B. Blomberg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen buitenbehandelingstelling omgevingsvergunningen wegens niet tijdig beslissen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland die zijn beroepen tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht ongegrond verklaarde. Het college had de aanvragen om omgevingsvergunningen van appellant buiten behandeling gesteld omdat het meende dat appellant geen belanghebbende was en de bouwplannen deels op percelen van derden betroffen zonder toestemming.
De aanvragen waren ingediend in 2019, vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat de oude Wabo-regelgeving van toepassing bleef. Het college had niet binnen de wettelijke beslistermijnen op de aanvragen beslist, waardoor op grond van artikel 4:20b van de Awb de vergunningen van rechtswege zijn verleend. De brieven van het college waarin werd meegedeeld dat geen besluit werd genomen, konden niet worden gelijkgesteld met een schriftelijke weigering.
De Afdeling oordeelt dat appellant als belanghebbende geldt en dat de vergunningen van rechtswege zijn verleend door het niet tijdig beslissen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de bestreden besluiten worden vernietigd en de Afdeling treedt zelf in de plaats van het college door te bepalen dat de vergunningen van rechtswege zijn verleend. Het college wordt opgedragen dit binnen twee weken bekend te maken.
Het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat de procedure niet extra spanning veroorzaakte. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: De vergunningen zijn van rechtswege verleend door het niet tijdig beslissen, de bestreden besluiten worden vernietigd en het college moet dit bekendmaken.