ECLI:NL:RVS:2026:4107
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep in asielzaak
Verzoeker heeft het hoger beroep tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie ingetrokken en tegelijkertijd verzocht om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat proceskostenveroordeling kan worden toegewezen indien de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of het belang bij een uitspraak door toedoen van de minister is komen te vervallen.
Het hoger beroep betrof de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn in asielzaken. De Afdeling verwijst naar een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de EU, maar stelt dat deze geen invloed heeft op de proceskostenvergoeding in deze zaak. De minister heeft het besluit op de asielaanvraag van verzoeker op 29 juni 2026 genomen, waarbij de beslistermijn van vijftien maanden is overschreden.
De Afdeling veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt in verband met het hoger beroep, waarbij een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast omdat het hoger beroep uitsluitend over de niet-tijdige besluitvorming ging. Tevens verwijst de Afdeling het beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, voor verdere behandeling, aangezien deze rechtbank gespecialiseerd is in asielzaken en de Afdeling hiermee de functie van de hogerberoepsrechter respecteert.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten na intrekking van het hoger beroep en het beroep wordt verwezen naar de rechtbank Den Haag.