ECLI:NL:RVS:2026:4102
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende bestaansmiddelen
Appellant, een gemeenschapsonderdaan, verloor zijn verblijfsrecht in Nederland bij besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 15 februari 2024. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en beroep bij de rechtbank Den Haag. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het niet nodig was om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van 'voldoende bestaansmiddelen' in het licht van het arrest Bajratari van het Hof van Justitie. Zelfs indien bepaalde inkomsten buiten beschouwing zouden blijven, was niet gebleken dat appellant over voldoende bestaansmiddelen beschikte om te voorkomen dat hij een beroep zou doen op het socialebijstandsstelsel.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en leden van de Afdeling bestuursrechtspraak op 17 juli 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verlies van verblijfsrecht wordt bevestigd.