ECLI:NL:RVS:2026:3877
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat minister samenwerkingsplicht heeft nageleefd bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf
Betrokkenen, familieleden van een referent met een verblijfsvergunning asiel, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf aan, welke door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de familierechtelijke relatie en het niet beschikbaar zijn voor DNA-onderzoek in Ethiopië. De rechtbank oordeelde dat de minister het besluit onzorgvuldig had voorbereid en onvoldoende rekening had gehouden met de situatie van betrokkenen, en vernietigde het besluit.
De minister stelde in hoger beroep dat hij aan de samenwerkingsplicht had voldaan door betrokkenen een termijn van zes maanden te bieden voor DNA-onderzoek en dat de bewijslast bij betrokkenen lag. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister inderdaad aan de samenwerkingsplicht had voldaan, mede omdat hij meerdere malen uitstel had verleend en contact had gehouden met betrokkenen.
Hoewel de situatie van betrokkenen moeilijk was vanwege detentie van familieleden in Eritrea, was het niet onredelijk dat de minister de besluitvorming niet langer aanhield zonder concreet zicht op een moment waarop betrokkenen konden uitreizen. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarmee het besluit van de minister tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf standhoudt.