ECLI:NL:RVS:2022:3186
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak mvv-aanvraag wegens onvoldoende DNA-onderzoek en schending zorgvuldigheidsbeginsel
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor twee minderjarige vreemdelingen uit Eritrea, die in het kader van nareis een verblijfsvergunning wensen. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat de familierechtelijke relatie niet aannemelijk was gemaakt, mede door het niet ondergaan van DNA-onderzoek.
De vreemdelingen hadden meerdere malen aangedrongen op het uitvoeren van DNA-onderzoek, maar dit kon niet plaatsvinden vanwege de onbeschikbaarheid van de gestelde moeder en de sluiting van de Nederlandse ambassade in Ethiopië door de coronapandemie. De rechtbank had geoordeeld dat het risico voor het niet ondergaan van het DNA-onderzoek bij de vreemdelingen lag, maar de Raad van State oordeelt dat dit onterecht is en dat de staatssecretaris onvoldoende reële mogelijkheden heeft geboden.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten en dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij opnieuw moet worden beoordeeld of de vreemdelingen gehoord moeten worden. De Raad verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt het bestreden deel van de uitspraak.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beveelt een nieuw besluit op bezwaar met een nieuwe beoordeling van het DNA-onderzoek en hoorrecht.