ECLI:NL:RVS:2026:3831
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- M. Soffers
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf echtgenote in nareisprocedure
Appellant diende op 8 juli 2022 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn echtgenote in het kader van nareis. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 15 juni 2023 af, omdat volgens hem geen feitelijke gezinsband bestond op de peildatum van inreis. De rechtbank bevestigde dit standpunt in haar uitspraak van 18 augustus 2025, stellende dat het nareisbeleid gericht is op herstel van een bestaand gezinsleven en niet op gezinsvorming.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank een te streng beoordelingskader hanteerde en dat het Unierecht een ruimere interpretatie van het begrip feitelijke gezinsband vereist, waarbij ook de wil tot het onderhouden van een gezinsleven en vluchtomstandigheden moeten worden meegewogen. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt dit betoog en verwijst naar recente arresten van het Hof van Justitie die een individuele en op de situatie toegespitste beoordeling voorschrijven.
De Afdeling oordeelt dat de minister bij de beoordeling van mvv-aanvragen in nareisprocedures niet alleen moet kijken naar feitelijke samenwoning, maar ook naar de intentie om een gezinsband te onderhouden, rekening houdend met alle relevante omstandigheden, waaronder de vluchtcontext. De minister heeft dit onvoldoende gedaan, met name door de overgelegde foto’s en verklaringen van appellant niet adequaat te betrekken.
De Afdeling vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en gelast de minister een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen.