AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank en niet-ontvankelijkheid beroep eigen bijdrage opvangkosten
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) stelde bij besluit van 22 september 2023 de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vast op € 3.183,62. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die dit beroep op 27 mei 2025 ongegrond verklaarde. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateert dat tegen een besluit tot vaststelling van een eigen bijdrage in de opvangkosten geen rechtstreeks beroep bij de rechtbank openstaat, maar bezwaar moet worden gemaakt. De rechtbank had het beroep van appellant niet-ontvankelijk moeten verklaren en het beroepschrift als bezwaarschrift moeten doorsturen naar het COA.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep alsnog niet-ontvankelijk. Het beroepschrift wordt doorgezonden naar het COA voor behandeling als bezwaarschrift. Het COA wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant wegens de onjuiste rechtsmiddelenclausule in het besluit.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift wordt doorgezonden als bezwaarschrift; het COA wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitspraak
202503690/1/V1.
Datum uitspraak: 16 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 27 mei 2025 in zaak nr. 23/12393 in het geding tussen:
appellant
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2023 heeft het COA de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 3.183,62.
Bij uitspraak van 27 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
Het COA en appellant hebben op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Appellant heeft tegen het besluit van 22 september 2023 rechtstreeks beroep ingesteld. Hij heeft daarmee gevolg gegeven aan de rechtsmiddelenclausule onder dat besluit, die vermeldt dat tegen het besluit beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.
1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:139, onder 4.1, staat tegen een besluit tot het vaststellen van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang bezwaar open en geen rechtstreeks beroep bij de rechtbank. De rechtbank had daarom het door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren, het beroepschrift moeten aanmerken als een bezwaarschrift en dat op grond van artikel 6:15 vanPro de Awb, ter behandeling moeten doorsturen naar het COA.
1.2. De Afdeling heeft bij brief van 20 mei 2026 partijen gevraagd of zij desondanks akkoord gaan met de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Appellant heeft bij brief van 3 juni 2026 laten weten dat hij een herstart van de bezwaarfase wenst.
2. Het hoger beroep is gegrond. De grieven behoeven geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verklaart het beroep alsnog niet-ontvankelijk. De Afdeling zal het beroepschrift van appellant doorsturen naar het COA voor verdere behandeling als bezwaarschrift (zie artikel 6:15 vanPro de Awb). Het COA moet de proceskosten vergoeden, omdat het een onjuiste rechtsmiddelenclausule in het besluit heeft opgenomen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 27 mei 2025 in zaak nr. 23/12393;
III. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
IV. veroordeelt het Centraal Orgaan opvang asielzoekers tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.