ECLI:NL:RVS:2026:339

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202206004/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.B. Blomberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.7 Regeling OmgevingsrechtArt. 2.10 WaboArt. 2.17 Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen omgevingsvergunning voor huisvesting arbeidsmigranten op bedrijventerrein in Roosendaal

Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal verleende op 3 augustus 2021 een omgevingsvergunning aan Ice Agency B.V. voor de huisvesting van 300 arbeidsmigranten op het perceel aan de Atoomweg 22, gelegen in het bestemmingsplan 'Majoppeveld'. Deze vergunning wijkt af van het bestemmingsplan omdat huisvesting van arbeidsmigranten niet past binnen de bestemming 'Bedrijventerrein - 4'. Appellanten, gevestigd en wonend in de directe omgeving, maakten bezwaar vanwege vrees voor negatieve gevolgen voor hun bedrijfsvoering en leefklimaat.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 28 april 2022 wegens onvoldoende motivering en innerlijke tegenstrijdigheid. Het college handhaafde de vergunning met verbeterde motivering in latere besluiten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep en oordeelde dat het college het gebruik terecht als logies heeft aangemerkt en dat de vergunning niet in strijd is met het gemeentelijk beleid. Wel werd geoordeeld dat het besluit van 28 april 2022 niet zorgvuldig was voorbereid vanwege het standpunt over aanvullende voorschriften.

De Afdeling verbond daarom zelf twee voorschriften aan de vergunning: aanstelling van een beheerder en het bijhouden van een nachtregister. Daarnaast werd het beroep tegen het besluit van 4 februari 2025 ongegrond verklaard, waarmee de vergunning in stand blijft. De beroepen tegen eerdere besluiten werden niet-ontvankelijk verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.

Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard met aanvullende voorschriften aan de omgevingsvergunning; beroep tegen laatste besluit ongegrond; eerdere beroepen niet-ontvankelijk.

Uitspraak

202206004/1/R2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante] en anderen, alle gevestigd dan wel wonend in Roosendaal,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 30 september 2022 in zaken nrs. 22/3536 en 22/3537 in het geding tussen:
[appellante] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.
Procesverloop
Bij besluit van 3 augustus 2021 heeft het college aan Ice Agency B.V. een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor het realiseren van migrantenhuisvesting op het perceel aan de Atoomweg 22 in Roosendaal.
Bij besluit van 28 april 2022 heeft het college het door [appellante] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en een aanvullend voorschrift aan de vergunning verbonden.
Bij uitspraak van 30 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 april 2022 vernietigd en het college opgedragen om binnen 6 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college en Ice Agency hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 31 augustus 2023 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellante] en anderen beslist en de omgevingsvergunning met verbeterde motivering gehandhaafd.
Bij besluit van 4 juni 2024 heeft het college de omgevingsvergunning met verbeterde motivering gehandhaafd en drie voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden.
Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning met verbeterde motivering gehandhaafd en twee voorschriften die bij het besluit van 4 juni 2024 aan de omgevingsvergunning waren verbonden, vervangen.
[appellante] en anderen hebben gronden ingediend tegen de besluiten van 31 augustus 2023, 4 juni 2024 en 4 februari 2025.
Ice Agency en [appellante] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 juni 2025, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.M. Königel, advocaat in Etten-Leur, en vergezeld van [gemachtigde A] en ir. T.H.M. Houterman, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A. Mohuddy en mr. E. Euverman, advocaten in Breda, zijn verschenen. Verder is op zitting Ice Agency, vertegenwoordigd door mr. M. Fleers en mr. C.A.B. Geertman, advocaten in Den Haag, en vergezeld van [gemachtigde B], [gemachtigde C] en [gemachtigde D], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Ice Agency is eigenaar van het perceel aan de Atoomweg 22 in Roosendaal (hierna: het perceel). Het perceel ligt in het gebied van het bestemmingsplan "Majoppeveld". Het college heeft een omgevingsvergunning verleend aan Ice Agency voor de huisvesting van 300 arbeidsmigranten. Met de omgevingsvergunning wordt afgeweken van het bestemmingsplan, omdat de huisvesting van arbeidsmigranten niet past binnen de bestemming "Bedrijventerrein - 4". Volgens het college is er in Nederland en dus ook in Roosendaal een permanente behoefte aan tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten. [appellante] en anderen zijn gevestigd op "Majoppeveld" in de directe omgeving van het perceel en [persoon] woont in de omgeving daarvan. Zij zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning, omdat zij negatieve gevolgen van de huisvesting van arbeidsmigranten voor hun bedrijfsvoering of woon- en leefklimaat vrezen.
2.1.    De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft in de uitspraak van 30 september 2022 - kort samengevat - geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de huisvesting van arbeidsmigranten terecht heeft aangemerkt als logies. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de nota "Arbeidsmigranten in Roosendaal" van 20 juli 2021 (hierna ook: de nota) niet volgt dat de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel uitgesloten is. De rechtbank heeft nog overwogen dat de aangenomen motie in de gemeenteraad, die niet in lijn zou zijn met het beleid, een politieke kwestie is. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het betoog van [appellante] en anderen dat het college de aanvraag niet in behandeling had mogen nemen, niet slaagt. Ook heeft het college in de omgevingsvergunning geen aanvullende voorschriften hoeven opnemen over permanente bewaking, omdat wordt voldaan aan de voorwaarden in de nota.
Daarentegen heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het besluit van 28 april 2022 onvoldoende heeft gemotiveerd en dat dit besluit innerlijk tegenstrijdig is. Hierover heeft de rechtbank overwogen dat het college heeft aangegeven dat het advies van de bezwaarschriftencommissie zou worden overgenomen, maar dat het college de door Ice Agency aangeleverde ruimtelijke onderbouwing, anders dan deze commissie heeft geadviseerd, niet zelfstandig heeft beoordeeld. Ook heeft de bezwaarschriftencommissie geadviseerd om uit te gaan van de maximale planologische mogelijkheden, maar het college heeft gekeken naar de bedrijven die feitelijk aanwezig zijn op het bedrijventerrein. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet wordt voldaan aan de richtafstand van 200 m, als van de maximale planologische mogelijkheden wordt uitgegaan.
Gronden van het hoger beroep
Wonen of logies
4.       [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het voorgenomen gebruik terecht als logies heeft aangemerkt. Hierover voeren zij onder verwijzing naar meerdere uitspraken van de Afdeling aan dat het voorgenomen gebruik, ook al gaat het om een verblijfsduur van maximaal zes maanden, gelet op de beperkte aanvullende voorzieningen is aan te merken als wonen.
4.1.    In zijn uitspraak van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3986, onder 10.1, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank het voorgenomen gebruik terecht aangemerkt als logies.
De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden, waarin onder meer is bepaald dat er uitsluitend tijdelijke huisvesting in de vorm van logies mag worden verstrekt aan de arbeidsmigranten. Onder "logies" wordt volgens de vergunning verstaan: "het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden aan arbeidsmigranten voor een periode van maximaal zes maanden per arbeidsmigrant, waarbij het kenmerk is dat de betreffende persoon het hoofdverblijf elders heeft". Ook is in de omgevingsvergunning vastgelegd dat de arbeidsmigranten elders hun hoofdverblijf moeten houden.
Voor beantwoording van de vraag of de omgevingsvergunning toestaat dat arbeidsmigranten in de units wonen, is van belang wat onder "wonen" moet worden verstaan. Er is niet gebleken dat het gebouw voor de huisvesting van de arbeidsmigranten een woning of wooneenheid is, zoals bedoeld in de artikelen 1.79 en 1.80 van de planregels. Ook heeft de vergunde vorm van verblijf in dit geval geen woonkarakter. Het vergunde gebruik is logies, en niet wonen, en dit gebruik beperkt zich bovendien tot kortdurend verblijf van maximaal zes maanden. Daarnaast is in de omgevingsvergunning voorgeschreven dat de arbeidsmigranten elders hun hoofdverblijf houden. Verder blijkt uit de bouwtekeningen en de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning dat de verblijfsunits een gedeelde keuken en badkamer hebben en dat er op het perceel verschillende centrale voorzieningen, zoals een sportveld, klaslokaal en een wasserette, aanwezig zijn. Ice Agency heeft ook aangegeven dat er permanent een beheerder aanwezig is op het perceel, dat er bewaking is door middel van camera’s en dat er een nachtregister wordt bijgehouden. Gelet op deze omstandigheden heeft het vergunde verblijf een onvoldoende duurzaam karakter om dit als "wonen" te kunnen aanmerken, aldus de voorzieningenrechter.
De Afdeling is het eens met dit oordeel en ziet in wat [appellante] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. Wat de toelichting van Ice Agency betreft dat op het perceel een beheerder aanwezig is, wijst de Afdeling hierbij op wat hierna in deze uitspraak onder 7.1 wordt overwogen. De door [appellante] en anderen genoemde uitspraken leiden niet tot een ander oordeel, omdat de omstandigheden daarin over de tijdelijkheid van het verblijf en de aanwezige voorzieningen niet voldoende vergelijkbaar waren. Voor zover zij aanvoeren dat het feitelijk gebruik zal afwijken van het vergunde gebruik, is dat een kwestie van handhaving.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met beleid van de gemeente Roosendaal
5.       [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning in overeenstemming is met de toetsingscriteria voor grootschalige huisvesting als bedoeld in bijlage 1 van de nota. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte overwogen dat het feit dat het perceel midden op het bedrijventerrein ligt, niet maakt dat er strijd is met de gezichtspunten van het beleid. De rechtbank heeft volgens hen niet onderkend dat onvoldoende maatwerk is toegepast. Zij voeren aan dat er sprake is van een groot complex waar een groot aantal arbeidsmigranten wordt gehuisvest, terwijl er geen voorzieningen zijn getroffen om dit complex in de omgeving te integreren. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de in de raad aangenomen motie, die ertoe strekt geen huisvesting mogelijk te maken op locaties met bedrijfscategorie hoger dan 3.2, uitsluitend een politieke aangelegenheid is.
5.1.    In bijlage 1 bij de nota is onder meer opgenomen dat bij het zoeken van passende huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het benutten van leegstand of leegkomend vastgoed, zoals kantoren, hotels en maatschappelijk vastgoed. Geclusterde huisvesting midden in een woonwijk, dorp of binnenstad wordt niet wenselijk geacht. Situering van grotere huisvesting op (randen van) bedrijventerreinen is een optie op basis van maatwerk.
5.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de nota niet volgt dat de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel uitgesloten is. De rechtbank heeft hierover terecht overwogen dat er geen dwingende volgorde geldt ten aanzien van de locaties. Zoals de voorzieningenrechter van de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3986, onder 11.2, mocht het college in zijn beoordeling betrekken dat Ice Agency eigenaar is van het perceel, waardoor een andere locatie dan op het bedrijventerrein minder voor de hand ligt. Hierbij heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat er in de gemeente Roosendaal een dringende behoefte is aan huisvesting voor arbeidsmigranten, maar dat het bestaande leegstaande vastgoed in de gemeente niet in deze behoefte kan voorzien. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bij de situering op het bedrijventerrein in voldoende mate maatwerk heeft toegepast. Zo zijn voorzieningen getroffen om de huisvesting van de arbeidsmigranten in de omgeving te laten integreren.
De rechtbank heeft ten slotte terecht overwogen dat de aangenomen motie van de raad van de gemeente Roosendaal van 18 maart 2021 niet leidt tot een juridische verplichting voor het college. Zoals de voorzieningenrechter van de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3986, onder 11.3, is een motie alleen van betekenis in de verhouding tussen de raad en het college van burgemeester en wethouders.
Het betoog slaagt niet.
In behandeling nemen aanvraag
6.       [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de aanvraag om een omgevingsvergunning niet in behandeling mocht nemen. De rechtbank heeft volgens hen daarom niet onderkend dat het college niet had mogen oordelen dat het bouwplan voldoet aan artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Hierover voeren zij aan dat niet alle bouwtechnische gegevens bij de aanvraag zijn ingediend en Ice Agency geen verzoek in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Regeling Omgevingsrecht heeft ingediend om deze gegevens later te verstrekken.
6.1.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het betoog van [appellante] en anderen dat het college de aanvraag niet in behandeling had mogen nemen, niet slaagt. Dat vergunninghouder geen uitstelverzoek in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Regeling omgevingsrecht heeft ingediend, betekent niet dat het college gehouden was de aanvraag buiten behandeling te laten. Het is aan het college om te beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op de aanvraag te nemen. Het college kan verzoeken om de aanvraag aan te vullen en in het uiterste geval de aanvraag buiten behandeling laten. Het college heeft hiervoor in dit geval geen aanleiding gezien en de aanvraag inhoudelijk beoordeeld.
Het betoog slaagt niet.
Aanvullende voorschriften
7.       [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college geen aanvullende voorschriften aan de omgevingsvergunning had hoeven te verbinden. Hierover voeren zij aan dat de genoemde beschikbaarheid van bewaking, het nachtregister, het huishoudelijk reglement en het klachtenreglement in de zienswijze van Ice Agency niet handhaafbaar zijn.
7.1.    Het college heeft op de zitting toegelicht dat alsnog voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden waarin het beheer van de huisvesting van de arbeidsmigranten wordt geregeld. De Afdeling begrijpt de toelichting van het college zo, dat het college in het betoog van [appellante] en anderen aanleiding heeft gezien om zijn standpunt hierover te wijzigen. Omdat het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het besluit van 28 april 2022 heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het besluit van 28 april 2022 naar het oordeel van de Afdeling wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en daarom in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het oordeel van de rechtbank dat het college geen aanvullende voorschriften heeft hoeven verbinden aan de omgevingsvergunning, kan in het licht van het vorenstaande geen stand houden.
7.2.    Het betoog slaagt.
7.3.    Op de zitting is met partijen gesproken over het opnemen van voorschriften die zien op het beheer van het terrein waar de arbeidsmigranten worden gehuisvest, waarbij is afgesproken dat de partijen na de zitting gezamenlijk met een voorstel komen. Na de zitting hebben partijen gezamenlijk een voorstel gedaan om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning. De Afdeling ziet evenwel aanleiding niet alle aangedragen voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning. Een deel van de voorschriften strekt niet tot een goede ruimtelijke ordening, maar heeft enkel betrekking op de openbare orde. Daarnaast is een deel van de voorschriften te gedetailleerd en niet handhaafbaar voor het college. Weliswaar vindt een groot aantal voorschriften grondslag in bijlage 1, onderdeel 4, van de nota, maar dat laat onverlet dat die voorschriften grotendeels betrekking hebben op de openbare orde. De voorschriften die de Afdeling mede relevant acht in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn de onderstaande voorschriften:
-        De vergunninghouder stelt een beheerder aan van de logiesgebouwen;
-        Er wordt voor de logiesgebouwen een nachtregister bijgehouden, waarin de volledige namen van de arbeidsmigranten worden genoteerd, alsmede de datum van aankomst en vertrek.
7.4.    De bovenstaande voorschriften zullen bij wijze van zelf voorzien door de Afdeling worden verbonden aan de omgevingsvergunning van 3 augustus 2021.
Conclusie hoger beroep
8.       Het hoger beroep is gegrond.
9.       De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door de voorschriften genoemd onder 7.3 aan de omgevingsvergunning te verbinden.
10.     Het college moet de proceskosten van [appellante] en anderen vergoeden.
De besluiten van 31 augustus 2023, 4 juni 2024 en 4 februari 2025
11.     Bij besluit van 31 augustus 2023 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellante] en anderen beslist en de omgevingsvergunning met verbeterde motivering gehandhaafd. Bij besluiten van 4 juni 2024 en 4 februari 2025 heeft het college herstelbesluiten genomen naar aanleiding van de gebreken die de voorzieningenrechter van de Afdeling in de uitspraken van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3986, en 30 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3062, heeft geconstateerd.
Aan het besluit van 4 februari 2025 heeft het college het rapport "Onderzoek industrielawaai Atoomweg 22 Roosendaal" van Econsultancy van 9 oktober 2024 en het rapport "Huisvestingsvoorzieningen Atoomweg Roosendaal" van DGMR van 9 oktober 2024 (hierna: de rapporten van 9 oktober 2024) ten grondslag gelegd. Ook is het bouwplan gewijzigd, waarbij blok 3 en 4 ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan 1,7 m noordwaarts gerealiseerd worden.
De besluiten worden, gelet op artikel 6:24 van Pro de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. [appellante] en anderen hebben gronden ingediend tegen de besluiten.
De geconstateerde gebreken door de voorzieningenrechter
12.     De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft in de uitspraak van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3986, onder 13.4, in het besluit van 31 augustus 2023 meerdere gebreken geconstateerd. Ten eerste is onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke specifieke uitbreidingsmogelijkheden [appellante] en anderen op grond van de maximale planologische mogelijkheden hebben en wat de gevolgen daarvan zijn voor de geluidbelasting op het logiesgebouw. Ten tweede is uitgegaan van Atoomweg 22 als maatgevend geluidsgevoelig object, maar is bij het berekenen van de geluidbelasting geen rekening gehouden met de situering van deze bedrijfswoning, nog daargelaten dat is gebleken dat in de nieuwe situatie van een bedrijfswoning geen sprake meer zal zijn. Deze voormalige bedrijfswoning ligt namelijk op een grotere afstand van de bedrijven dan de beoogde verblijfsunits op het perceel. Ten derde is beschreven dat de verblijfsunits een minimale gevelwering van 20 dB moeten hebben, maar dat niet kan worden vastgesteld of met dit voorschrift een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat is gewaarborgd, zolang de maximale geluidsniveaus niet bekend zijn.
13.     De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft vervolgens in de uitspraak van 30 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3062, onder 11, in het besluit van 4 juni 2024 nog steeds een gebrek geconstateerd. Volgens de voorzieningenrechter is in het akoestisch onderzoek weliswaar uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van de omliggende percelen, maar zijn daarbij te lage maximale brongeluidniveaus tot uitgangspunt genomen. Daarom is niet inzichtelijk welke geluidniveaus ten hoogste op de gevels van de logiesgebouwen kunnen ontstaan, en daarmee wat de minimale gevelwering moet zijn voordat sprake kan zijn van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat in het complex.
De voorzieningenrechter heeft in dit verband toegelicht dat in het akoestisch onderzoek eerst is nagegaan hoe hoog de geluidniveaus bij de bedrijfswoning aan de Atoomweg 22 mogen zijn, waarna is berekend hoe hoog de maximale bronvermogens bij de bedrijven zouden mogen zijn om die toetswaarden bij de bedrijfswoning niet te overschrijden. Die maximale bronvermogens zijn vervolgens als vertrekpunt gehanteerd om de geluidbelasting bij de logiesgebouwen te berekenen. Op grond van artikel 2.17, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden voor een bedrijfswoning op een bedrijventerrein een etmaalwaarde van maximaal 55 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, en maximale geluidniveaus van 75 dB(A) in de dagperiode, 70 dB(A) in de avondperiode en 65 dB(A) in de nachtperiode. Deze waarden zijn 5 dB(A) hoger dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan. Dit betekent dat de maximale bronvermogens van de omliggende bedrijven 5 dB(A) hoger mogen zijn dan de bronvermogens waarmee rekening is gehouden in het akoestisch onderzoek, en dat dus ook de geluidbelasting bij de logiesgebouwen 5 dB(A) hoger kan zijn dan in het onderzoek is verondersteld, aldus de voorzieningenrechter. Het college heeft deze hogere niveaus niet betrokken bij de afweging die aan het besluit van 4 juni 2024 ten grondslag ligt.
Gelet op deze omstandigheden is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat op het perceel sprake is van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Volgens de voorzieningenrechter waren de door de voorzieningenrechter in de uitspraak van 27 oktober 2023 geconstateerde gebreken daarom niet hersteld.
14.     De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter over de geconstateerde gebreken en ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.
Relativiteit
15.     Zoals de voorzieningenrechter van de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 30 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3062, onder 14, moet de Afdeling zich nog uitspreken over de mogelijkheid dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van de besluiten van 31 augustus 2023 en 4 juni 2024 in de weg zou kunnen staan. Hetzelfde geldt voor het besluit van 4 februari 2025. Hierbij wordt beoordeeld in hoeverre de norm dat er uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening op het perceel met de logiesgebouwen een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet zijn gewaarborgd, mede strekt tot bescherming van het belang van [appellante] en anderen.
15.1.  Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in hoger beroep komt.
15.2.  Ondanks dat de geluidnormen waar [appellante] en anderen zich aan moeten houden niet gelden ter plaatse van logiesgebouwen, staat het relativiteitsvereiste niet in de weg aan vernietiging van de besluiten van 31 augustus 2023, 4 juni 2024 en 4 februari 2025. Zij beroepen zich namelijk mede op de norm van een goede ruimtelijke ordening. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.6, beschermt de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning - of, zoals in dit geval, een logiesverblijf - ook de belangen van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf. De Afdeling zal de gronden over geluid daarom inhoudelijk bespreken.
De gronden van het beroep tegen het besluit van 4 februari 2025
Aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat
16.     [appellante] en anderen betogen dat de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel niet in overeenstemming is met een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Daarvoor verwijzen zij naar de memo van Cauberg Huygen van 14 maart 2025 (hierna: de memo van 14 maart 2025), die een beoordeling geeft van de rapporten van 9 oktober 2024.
Zij voeren aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van logies en niet van wonen in de berekening voor de geluidbelasting. Hierdoor zijn de units ten onrechte niet als geluidgevoelig aangemerkt. Bovendien geldt ook voor logies dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat.
Verder voeren [appellante] en anderen aan dat het door het college gehanteerde "tweesporenbeleid" van toetsing aan enerzijds het Activiteitenbesluit milieubeheer en anderzijds de VNG-brochure onduidelijk is. Volgens hen zijn de geluidgrenswaarden uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, die gelden op de gevels van de gebouwen, leidend en niet de richtafstand en milieucategorie van de VNG-brochure.
Zij betogen dat ten onrechte nog steeds wordt gerekend vanuit de bedrijfswoning Atoomweg 22 en niet vanuit de maximale geluidniveaus op de gevels van de verblijfsunits. De units zijn dichter bij de grens van hun inrichtingen geprojecteerd dan de bedrijfswoning Atoomweg 22, zodat de units voor hen maatgevend zijn.
Volgens hen is verder wat betreft het binnenniveau in de units ten onrechte niet uitgegaan van de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau van 55, 50 en 45 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode in in- en aanpandige gevoelige gebouwen op een bedrijventerrein in artikel 2.17, derde lid, en de bijbehorende tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit.
Ook voeren zij aan dat in de rapportage ten onrechte een theoretische benadering is toegepast, wat volgens hen niet in overeenstemming is met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2024. Zo is er geen rekening gehouden met het feit dat bijvoorbeeld bij Van Osta Internationaal Transportbedrijf B.V. zeven dagen per week, 24 uur per dag, transportbewegingen plaatsvinden aan de Atoomweg 12, 14-16 en 18. Per 24 uur vinden minimaal 40 vrachtbewegingen plaats, waarvan in de nacht ongeveer 13 vrachtbewegingen en nog eens 7 vrachtbewegingen van PostNL.
Daarnaast betogen [appellante] en anderen dat verschillende van hun bedrijven niet zijn meegenomen in de geluidbelasting, waardoor de cumulatieve geluidbelasting hoger kan uitvallen dan is ingeschat in het rapport van Econsultancy. Ook kan de geluidbelasting op de units zijn onderschat, omdat vanwege mogelijke afscherming richting bedrijfswoning Atoomweg 22 daar ook met hogere bronniveaus aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Er is verder geen rekening gehouden met de aanwezige bebouwing op het bedrijventerrein, waardoor mogelijke reflectie en andere geluidseffecten niet zijn meegenomen in de rapportage. Ook zijn bijzondere soorten geluid niet meegenomen in de beoordeling, waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld of sprake is van tonaal geluid, impulsgeluid, enzovoort, waarvoor een strafcorrectie van toepassing zou kunnen zijn. Er zou in dat verband specifiek onderzoek gedaan moeten worden naar daadwerkelijke bedrijfsvoering van de bedrijven in de omliggende omgeving. Ook is volgens hen in de rapportage ten onrechte de "Handreiking zonebeheerplan" tot uitgangspunt genomen.
In de rapportage is volgens hen geen inzicht gegeven in de voor de bedrijven gehanteerde bronvermogens. Gezien de al bekende informatie is de reductie die nodig is om te voldoen aan de normstelling ter hoogte van de bedrijfswoning Atoomweg 22 volgens hen fors. Volgens hen kunnen er plaatselijk grote verschillen optreden met wat door Econsultancy is berekend. Daarom kan volgens hen niet worden geconcludeerd dat de karakteristieke gevelwering van de units 35 tot 41 dB(A) dient te zijn. Het is volgens hen niet vanzelfsprekend dat bij de units aan de gestelde eisen kan worden voldaan. Zij wijzen erop dat DGMR daarom adviseert voor de zwaarst belaste huisvestingsvoorzieningen (blok 3 en blok 4) een proefunit te maken, om met metingen aan te tonen dat de benodigde geluidwering wordt gehaald. Op zijn minst had in het herstelbesluit als voorschrift moeten worden opgenomen dat de blokken 3 en 4 niet mogen worden gebouwd voordat met een proefunit is aangetoond dat de geluidsisolatie daadwerkelijk kan worden gerealiseerd, aldus [appellante] en anderen.
Het college heeft volgens hen ten onrechte niet gemotiveerd of een dergelijke geluidisolatie geen indicatie is dat ter plaatse geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leef- en/of verblijfsklimaat. Bovendien ontbreekt volgens hen een afweging over het woon- en leef- en/of verblijfsklimaat in de buitenruimte van de units.
16.1.  Het college heeft in het besluit van 4 februari 2025 overwogen dat, om te voldoen aan de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2024, in de rapporten van 9 oktober 2024 hogere bronvermogens tot uitgangspunt zijn genomen ten opzichte van het geluidrapport dat ten grondslag lag aan het besluit van 4 juni 2024. Deze bronvermogens zijn gebaseerd op de grenswaarden voor een bedrijfswoning in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Vervolgens is inzichtelijk gemaakt hoeveel geluid de bedrijven in de directe omgeving zouden kunnen emitteren gelet op de aanwezige bedrijfswoning Atoomweg 22 als geluidgevoelig object. Per bedrijf is het maximale bronvermogen berekend waarbij de bedoelde grenswaarden uit het Activiteitenbesluit op de gevel van Atoomweg 22 niet overschreden worden. Bij deze theoretische benadering is de geluidsruimte van de bedrijven in de omgeving van het plangebied volledig opgevuld. De genoemde bronvermogens van de omliggende bedrijven zijn vervolgens gebruikt om de geluidbelasting ter plaatse van de logiesgebouwen vast te stellen. Uit de onderzoeksresultaten van Econsultancy volgt dat de geluidbelasting als gevolg van de maximale geluidsniveaus bepalend is. Voor woningen geldt volgens het college in beginsel dat de geluidwering dusdanig effectief moet zijn dat het geluid binnen de woningen niet hoger is dan 35 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als etmaalwaarde en 55 dB(A) maximaal geluidsniveau als etmaalwaarde. Het gaat in het onderhavige geval echter niet om woningen, maar om logies. De tijdelijkheid van het verblijf rechtvaardigt volgens het college een hogere geluidbelasting dan bij woningen (met voortdurend verblijf). Om die reden heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het aanvaardbaar geluidsniveau binnen de logiesgebouwen wordt vastgesteld op maximaal 40 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als etmaalwaarde en een binnenniveau van 60/55/50 dB(A) voor het maximale geluidniveau per dag/avond/nacht. Om een acceptabel binnenniveau voor het maximale geluidniveau van 60 dB(A) etmaalwaarde te borgen, dus 60/55/50 dB(A) per dag/avond/nacht, dient een geluidwering van minimaal 41 dB te worden gerealiseerd. De te nemen geluidreducerende maatregelen om een aanvaardbaar verblijfsklimaat te krijgen in de logiesgebouwen zijn beschreven in het rapport van DGMR.
Gelet op het voorgaande zijn twee voorschriften aan de vergunning verbonden, waarmee volgens het college geborgd is dat geluidwerende voorzieningen worden gerealiseerd die voortvloeien uit de juiste uitgangspunten. Met het treffen van de maatregelen die zijn vastgelegd in de voorschriften bij de omgevingsvergunning zal aan de gehanteerde waarden worden voldaan.
Met het bovenstaande stelt het college zich op het standpunt dat de door de voorzieningenrechter geconstateerde gebreken hersteld zijn.
16.2.  Het college heeft bij het besluit van 4 februari 2025 de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.
In voorschrift a is bepaald: "De karakteristieke geluidwering van de te realiseren logiesgebouwen moet ten minste gelijk zijn aan de waarden zoals weergegeven in figuur 1 van bijlage 3 bij dit besluit [onder meer: 41 dB op begane grond en eerste verdieping van de zuidgevel van blok 3 en 4], met dien verstande dat de karakteristieke geluidwering op de zuidgevel van blok 3 en 4 ten minste gelijk moet zijn aan:
• 38 dB op de tweede verdieping; en
• 35 dB op de derde verdieping."
In voorschrift b is bepaald: "Voordat blok 3 en blok 4 (zoals weergegeven op bijlage 3 bij dit besluit) in gebruik kunnen worden genomen moet door metingen in een proefunit aangetoond worden dat de karakteristieke geluidwering ten aanzien van blok 3 en blok 4 ten minste gelijk is aan de waarden zoals weergegeven op figuur 1 van bijlage 3 [onder meer: 41 dB op begane grond en eerste verdieping van de zuidgevel van blok 3 en 4], met dien verstande dat de karakteristieke geluidwering op de zuidgevel van blok 3 en 4 ten minste gelijk moet zijn aan:
• 38 dB op de tweede verdieping, en
• 35 dB op de derde verdieping."
16.3.  Voor zover [appellante] en anderen aanvoeren dat sprake is van wonen en niet van logies en dat daarom de berekening gebrekkig is, verwijst de Afdeling naar overweging 4.1. Dit betekent dat het college ten aanzien van de units terecht niet is uitgegaan van de grenswaarden van artikel 2.17, derde lid, van het Activiteitenbesluit. Dat neemt, zoals [appellante] en anderen hebben aangevoerd, niet weg dat er wat de units betreft sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Bij de afweging of daarvan sprake is heeft het college, zoals het heeft gesteld, beleidsruimte.
Het college heeft het woon- en verblijfsklimaat in de units beoordeeld aan de hand van berekeningen van de geluidbelasting ter plaatse van de logiesgebouwen. Bij die berekening heeft het college als vertrekpunt gehanteerd de hoogte van de maximale bronvermogens waarvan bij de bedrijven sprake mag zijn om de geluidnormen bij het geluidgevoelige object (de bedrijfswoning) aan de Atoomweg 22 niet te overschrijden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voor deze wijze van beoordeling mogen kiezen. Aangezien de units geen geluidgevoelig object zijn, was er geen grond en mogelijkheid om de bronvermogens te herleiden uit grenswaarden voor maximale geluidniveaus op de gevels van de verblijfsunits. Voor zover [appellante] en anderen hebben aangevoerd dat ten gevolge van de afschermende werking van de units ook met hogere bronniveaus nog aan de geluidgrenswaarden bij de Atoomweg 22 kan worden voldaan, heeft het college voldoende toegelicht dat met deze afscherming geen rekening behoeft te worden gehouden, omdat er geen gehoudenheid bestaat deze afscherming in stand te houden.
Het college is bij de toetsing aan de geluidgrenswaarden bij Atoomweg 22 nu uitgaan van de juiste, hogere geluidgrenswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, zodat het desbetreffende door de voorzieningenrechter in de uitspraak van 30 juli 2024 geconstateerde gebrek, is hersteld.
Verder is in de rapportage van 9 oktober 2024 terecht, in lijn met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2024, een theoretische benadering toegepast, waarbij is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden voor bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 3.2, 4.1 en 4.2. Er was dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de daadwerkelijke bedrijfsvoering van de bedrijven in de omliggende omgeving. Voorts acht de Afdeling het niet aannemelijk dat de door [appellante] en anderen genoemde bijzondere soorten geluid waarvoor een strafcorrectie van toepassing zou kunnen zijn, zich binnen de bestemming zodanig vaak zouden kunnen voordoen dat daarmee bij een representatieve invulling van de maximale planmogelijkheden rekening had moeten worden gehouden.
[appellante] en anderen hebben met de memo van 14 maart 2025 onvoldoende twijfel gezaaid bij de berekeningen in de rapporten van 9 oktober 2024 wat betreft bronvermogens, cumulatie, reflectie en andere geluidseffecten. Zo is gekeken naar alle omliggende bedrijven, ondanks dat deze niet alle expliciet worden beschreven in de rapporten van 9 oktober 2024, en blijkt uit de rapporten dat rekening is gehouden met onder meer reflectie.
Het college heeft redelijkerwijs kunnen stellen dat gezien de tijdelijke aard van het verblijf sprake is van aanvaardbaar geluidsniveau binnen de logiesgebouwen bij maximaal 40 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als etmaalwaarde en een binnenniveau van 60/55/50 dB(A) voor het maximale geluidniveau per dag/avond/nacht. Om een acceptabel binnenniveau voor het maximale geluidniveau van 60 dB(A) etmaalwaarde te borgen, dus 60/55/50 dB(A) per dag/avond/nacht, dient volgens de rapportage van 9 oktober 2024 een geluidwering van minimaal 41 dB te worden gerealiseerd.
Het college heeft met de verbonden voorschriften aan de omgevingsvergunning geborgd dat geluidwerende voorzieningen worden gerealiseerd die zijn gebaseerd op de gehanteerde uitgangspunten. Hierbij heeft het college op basis van de rapporten van 9 oktober 2024 inzichtelijk gemaakt welke geluidreducerende maatregelen getroffen moeten worden om te zorgen voor een aanvaardbaar verblijfsklimaat in de logiesgebouwen. Hieruit volgt dat ingrijpende bouwkundige maatregelen aan de units nodig zijn om een geluidwering van 41 dB te behalen op de eerste verdieping en begane grond van de zuidgevel bij blok 3 en 4. Het college heeft deze geluidwering, anders dan [appellante] en anderen lijken te veronderstellen, in voorschrift a neergelegd. Daarbij is van belang dat op grond van voorschrift b vóór de ingebruikname van blok 3 en 4 een proefunit moet worden gemaakt waar met metingen aangetoond moet worden dat de benodigde geluidwering daadwerkelijk wordt gehaald.
De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat het college zich op basis van de rapporten van 9 oktober 2024 op het standpunt heeft mogen stellen dat de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel in overeenstemming is met een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Naar het oordeel van de Afdeling hoeft gezien het vorenstaande voor onevenredige belemmering van de bedrijven van [appellante] en anderen ook niet te worden gevreesd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroep
17.     Het beroep tegen het besluit van 4 februari 2025 is ongegrond. Dit betekent dat de omgevingsvergunning voor het realiseren van huisvesting voor 300 arbeidsmigranten op het perceel aan de Atoomweg 22 in Roosendaal in stand kan blijven.
18.     Ingevolge artikel 6:19, zesde lid, van de Awb staat intrekking of vervanging van een besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit als de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Niet is gebleken dat [appellante] en anderen nog belang hebben bij een beoordeling van hun beroepen, voor zover gericht tegen de inmiddels vervangen besluiten van 31 augustus 2023 en 4 juni 2024. De beroepen zijn daarom in zoverre niet-ontvankelijk.
19.     De Afdeling ziet aanleiding om het verzoek om vergoeding van de kosten voor het opgemaakte deskundigenrapport van [appellante] en anderen toe te wijzen. Gelet op de gebreken in de besluiten van 31 augustus 2023 en 4 juni 2024 was naar het oordeel van de Afdeling het opmaken van een deskundigenrapport door [appellante] en anderen redelijk. Wel ziet de Afdeling aanleiding om het bedrag te matigen, omdat niet alle gemaakte deskundigenkosten relevant zijn. Dat betekent dat een bedrag aan deskundigenkosten van € 4.631,50 voor vergoeding in aanmerking komt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van [appellante] en anderen gegrond;
II.       bepaalt dat aan de bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 3 augustus 2021, kenmerk 2021WB0250, verleende omgevingsvergunning de volgende voorschriften worden verbonden:
- De vergunninghouder stelt een beheerder aan van de logiesgebouwen;
- Er wordt voor de logiesgebouwen een nachtregister bijgehouden, waarin de volledige namen van de arbeidsmigranten worden genoteerd, alsmede de datum van aankomst en vertrek;
III.      verklaart het beroep van [appellante] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 4 februari 2025 ongegrond;
IV.     verklaart de beroepen van [appellante] en anderen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 31 augustus 2023 en 4 juni 2024 niet-ontvankelijk;
V.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal tot vergoeding van bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 6.499,50, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal aan [appellante] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 548,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kuipers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
271-1135
BIJLAGE
Bestemmingsplan "Majoppeveld"
Artikel 1
In deze regels wordt verstaan onder:
[…]
1.79 wonen
het gehuisvest zijn in een woning/wooneenheid, zoals omschreven in onderhavige begripsbepalingen.
1.80 woning/wooneenheid
een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding, niet zijnde een bijzondere woonvorm, en/of voor de huisvesting van maximaal drie personen naast de huishouding, of voor de huisvesting van maximaal vier personen wanneer er daarnaast geen huishouding in het gebouw is ondergebracht;
[…]