ECLI:NL:RVS:2026:333

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202306463/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlies van Nederlanderschap en gevolgen voor Unieburgerschap in hoger beroep

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [appellante] tegen de beslissing van de minister van Buitenlandse Zaken om haar aanvraag voor een Nederlands paspoort buiten behandeling te stellen. De minister stelde dat [appellante] haar Nederlanderschap had verloren omdat zij gedurende tien jaar ononderbroken buiten Nederland verbleef en de Amerikaanse nationaliteit had verkregen. De rechtbank Den Haag had eerder het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. De Afdeling oordeelde dat de minister terecht de aanvraag buiten behandeling had gesteld, omdat [appellante] niet tijdig een paspoort had aangevraagd. De Afdeling concludeerde dat het verlies van het Nederlanderschap en daarmee het Unieburgerschap niet onevenredig was, omdat [appellante] niet had aangetoond dat zij op het moment van verlies van het Nederlanderschap van plan was om haar rechten als Unieburger uit te oefenen. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202306463/1/A3.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 september 2023 in zaak nr. 22/8287 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2021 heeft de minister een aanvraag van [appellante] voor een nationaal paspoort buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 24 november 2022 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 september 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat in Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door J.L.K. Hu en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] heeft sinds 2 mei 2001 de Nederlandse nationaliteit. Sinds 13 maart 2006 woont zij in de Verenigde Staten, waar zij op 22 juli 2004 trouwde. Op 22 februari 2011 is [appellante] genaturaliseerd tot Amerikaans staatsburger.
2.       De minister heeft op 6 september 2021 een aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld, omdat [appellante] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Volgens de minister heeft zij haar Nederlanderschap op 22 februari 2021 verloren, omdat zij vanaf dat moment gedurende tien jaar ononderbroken hoofdverblijf had buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten of één van de EU-lidstaten, en ook de Amerikaanse nationaliteit had. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) gaat voor een meerderjarige in dat geval het Nederlanderschap verloren. De minister heeft op 24 november 2022 het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard.
3.       De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) heeft op verzoek van de minister op 3 september 2021 en 19 oktober 2022 advies uitgebracht in het kader van de Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling. De conclusie van de IND is dat het verlies van het Unieburgerschap op de peildatum niet als onevenredig kan worden beschouwd. Daarbij is betrokken dat [appellante] als gevolg van het sluiten van het Nederlandse consulaat in Miami door de coronapandemie daar geruime tijd niet fysiek een paspoort heeft kunnen aanvragen, waardoor de tienjaarstermijn is verlopen. Dat had haar er volgens de minister niet van hoeven te weerhouden om tijdig online een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap aan te vragen. Die mogelijkheid werd tijdens de coronapandemie aangeboden vanwege de sluiting van ambassades en consulaten. Informatie daarover was te vinden op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waar [appellante] ook naar is verwezen. Maar ook als de niet-tijdige paspoortaanvraag niet aan [appellante] kan worden toegerekend, is dit volgens de minister op zichzelf gezien niet voldoende voor de conclusie dat zij door het verlies van het Unieburgerschap onevenredig geraakt wordt. Er is namelijk niet gebleken dat [appellante] ten tijde van het verliesmoment werd belemmerd in de uitoefening van haar uit het Unieburgerschap voortvloeiende rechten.
Het hoger beroep
4.       [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de tienjaarstermijn niet heeft gestuit en dus het Nederlanderschap is verloren. [appellante] had namelijk wel een afspraak met het consulaat in Miami gemaakt om haar paspoort te verlengen, maar deze afspraak werd geannuleerd vanwege de coronapandemie. Er was dus sprake van overmacht waardoor het te laat aanvragen van een paspoort zou niet voor haar rekening moeten komen.
Daarnaast voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verlies van haar Unieburgerschap niet onevenredig is. De rechtbank heeft daarbij een te strenge maatstaf gehanteerd, door haar oordeel over de evenredigheid te baseren op de vraag of [appellante] concrete plannen heeft voor vestiging in Nederland. [appellante] heeft het voornemen om te zijner tijd een huis in Nederland te kopen en daar met haar echtgenoot na haar pensioen te gaan wonen. De onmogelijkheid om gebruik te maken van dat recht is volgens [appellante] een beperking van het vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de EU-lidstaten.
Was er sprake van overmacht?
4.1.    Niet in geschil is dat aan [appellante] niet binnen de tienjaarstermijn een paspoort of verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap is verstrekt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] daardoor het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren. Daarbij is van belang dat de minister op de zitting bij de Afdeling heeft verklaard dat het consulaat in Miami vanaf 6 april 2020 weer geopend was. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in de periode tussen 6 april 2020 en het verlopen van de tienjaarstermijn, op 21 februari 2021, voor haar niet mogelijk was om een nieuwe afspraak te maken om een Nederlands paspoort aan te vragen. Daarnaast is [appellante] door het consulaat verwezen naar de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar werd gewezen op de mogelijkheid om online een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap aan te vragen. Ook van die mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt. Hoewel de Afdeling begrijpt dat er in coronatijd veel onduidelijkheid was, komt, gelet op het voorgaande, de omstandigheid dat [appellante] niet tijdig een paspoortaanvraag heeft ingediend en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren voor haar eigen rekening en risico.
Is het verlies van het Unieburgerschap onevenredig?
4.2.    Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 12 maart 2019, Tjebbes, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189, prejudiciële vragen van de Afdeling over het van rechtswege verliezen van de Nederlandse nationaliteit beantwoord. De Afdeling heeft vervolgens in haar uitspraak van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, uiteengezet hoe de minister moet onderzoeken of het verlies van de Nederlandse nationaliteit in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel in het licht van de gevolgen ervan voor de situatie van elke betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden uit het oogpunt van het Unierecht.
In haar uitspraak van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:421, heeft de Afdeling verduidelijkt welke omstandigheden in de Unierechtelijke evenredigheidstoets moeten worden meegenomen. Daaronder vallen ook de omstandigheden waaronder iemand het Nederlanderschap heeft verloren. Deze omstandigheden hebben namelijk bijgedragen aan het verlies van het Nederlanderschap, en daarmee het Unieburgerschap, en hebben om die reden betrekking op het Unierecht. Maar de omstandigheden waaronder iemand het Nederlanderschap heeft verloren, zijn op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat het verlies van het Nederlanderschap, en daarmee het Unieburgerschap, onevenredig is. Intrekking kan namelijk alleen onevenredig zijn als er ook gevolgen zijn die betrekking hebben op het Unierecht.
Eén van de mee te wegen relevante gevolgen bij de Unierechtelijke evenredigheidstoets is dat een betrokkene ten gevolge van het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap en van het burgerschap van de Unie zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wat in voorkomend geval leidt tot bijzondere moeilijkheden om zich naar Nederland of een andere lidstaat te blijven begeven, teneinde daadwerkelijke en regelmatige banden met gezinsleden te onderhouden, dan wel aldaar zijn beroepsactiviteiten te verrichten of de noodzakelijke stappen te ondernemen om er dergelijke activiteiten te verrichten. Het ontbreken van bijzondere moeilijkheden brengt mee dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet is geschonden. Daarbij is het aan de betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van het verlies van het Nederlanderschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten uit zou gaan oefenen.
4.3.    De Afdeling is, net als de rechtbank, van oordeel dat het verlies van het Nederlanderschap, en daarmee het Unieburgerschap, in dit geval niet onevenredig is. [appellante] heeft namelijk niet concreet onderbouwd dat op het moment van het verlies van haar Nederlanderschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij haar met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten, zoals het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, zou gaan uitoefenen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het plan van [appellante] en haar echtgenoot om op termijn een huis in Nederland te kopen en zich daar te vestigen onvoldoende concreet is. Niet is gebleken dat deze plannen op het moment van het verlies van het Nederlanderschap binnen afzienbare tijd zouden worden verwezenlijkt. Verder werkt [appellante] in de Verenigde Staten en heeft zij een Amerikaans paspoort, waarmee zij naar Nederland kan reizen om eventueel familie te bezoeken. Omdat het verlies van het Nederlanderschap geen gevolgen heeft die betrekking hebben op het Unierecht, behoeven de omstandigheden waaronder [appellante] het Nederlanderschap heeft verloren verder geen bespreking.
Conclusie
5.       Het betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister de aanvraag van [appellante] voor een paspoort buiten behandeling mocht stellen.
Slotsom
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Kamperman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
1000