AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging rechtbankuitspraak inzake openbaarmaking informatie en proceskostenvergoeding gemeente Utrecht
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om openbaarmaking van documenten over de werking en organisatie van het Programma- en Projectteam Werven. Het college liet het verzoek aanvankelijk buiten behandeling, herzag dit besluit later gedeeltelijk en besloot tot gedeeltelijke openbaarmaking. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
In het hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de hoorplicht in de bezwaarfase was geschonden, dat de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn onjuist was berekend en dat hij recht had op meerdere proceskostenvergoedingen. De Afdeling bestuursrechtspraak verwees naar een gelijktijdig gewezen uitspraak waarin deze punten reeds zijn beoordeeld en verwierp de meeste bezwaren.
Daarnaast stelde appellant dat het college ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase had toegekend na herroeping van het primaire besluit. De Afdeling oordeelde dat het college reeds een proceskostenvergoeding had toegekend bij het besluit van 17 november 2022 en dat het aanvullende besluit van 18 juni 2024 geen aanleiding gaf tot een nieuwe vergoeding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
202500453/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2024 in zaak nr. 22/5938 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie buiten behandeling gelaten.
Bij besluit van 17 november 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 20 januari 2022 herroepen en besloten om de gevraagde informatie niet openbaar te maken.
Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het college het besluit van 17 november 2022 gedeeltelijk herroepen en dit deel vervangen voor het besluit van 18 juni 2024. Daarbij heeft het college alsnog besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten.
Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 17 november 2022 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 18 juni 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 februari 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat in Velp, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. van Gellekom en ing. W.T. Akkermans, zijn verschenen. Tijdens de zitting zijn ook zaak nrs. 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500469/1/A3, 202500470/1/A3, 202500473/1/A3, 202500507/1/A3 en 202500482/1/A3 behandeld. Dat zijn zeven andere zaken van [appellant].
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft het college - kort samengevat - verzocht om openbaarmaking van documenten over de werking en organisatie van het Programma- en Projectteam Werven van de gemeente Utrecht. Voor de voorgeschiedenis en wat partijen verdeeld houdt, verwijst de Afdeling naar de uitspraak van de rechtbank, onder 2 tot en met 5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden en dat [appellant] recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. [appellant] is het daar niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
Gelijktijdige behandeling en nader stuk van 31 januari 2026
2. [appellant] heeft meerdere procedures bij de Afdeling lopen. Zeven andere zaken van hem zijn tegelijk op zitting behandeld. Het gaat om zaak nrs. 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500469/1/A3, 202500470/1/A3, 202500473/1/A3, 202500482/1/A3 en 202500507/1/A3. In zes van de acht zaken heeft [appellant] op 31 januari 2026 een nader stuk ingediend. Dat geldt ook voor deze zaak. De Afdeling heeft over dat stuk als volgt besloten.
2.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals is geregeld in artikel 8:58 vanPro de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:232), onder 1.1.
2.2. Het hogerberoepschrift van [appellant] dateert van 19 februari 2025. Daarin heeft hij de volgende - niet onderbouwde - beroepsgrond aangevoerd:
"Ondergetekende kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. De gronden zijn als volgt. (…) Ten tweede heeft de rechtbank miskend dat verweerder geen nadere informatie hoefde te openbaren. De overwegingen van de rechtbank zijn onjuist. Dit zal nadien worden beargumenteerd."
Op de laatste dag voor het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, dus op 31 januari 2026, heeft [appellant] zijn eerder aangevoerde beroepsgronden onderbouwd. De hiervoor geciteerde grond heeft hij echter niet nader onderbouwd.
2.3. Aangezien [appellant] in zijn hogerberoepschrift van 19 februari 2025 de daarin opgenomen beroepsgronden al wel gedeeltelijk heeft onderbouwd, zal de Afdeling zijn nadere onderbouwing van die beroepsgronden in het stuk van 31 januari 2026, ondanks het late tijdstip van indienen, meenemen. De Afdeling verwijst daarvoor naar wat zij heeft overwogen in onder andere haar uitspraak van vandaag in zaak nr. 202500507/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:3267), onder 2 tot en met 2.5. Het gaat dan om de onderbouwing dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden, dat de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn verkeerd is berekend omdat geen sprake is van samenhangende zaken, dat bij de proceskostenvergoeding voor de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn een verkeerde wegingsfactor is toegepast en dat daarbij ten onrechte niet een proceskostenvergoeding per zaak is toegekend. Daarnaast gaat het om het betoog van [appellant] dat hem ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend, terwijl het primaire besluit wel is herroepen. De Afdeling zal die beroepsgronden hierna beoordelen.
Beoordeling van het hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden en dat de rechtbank de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn onjuist heeft berekend. Volgens [appellant] is de rechtbank er namelijk ten onrechte van uitgegaan dat zijn zaken samenhangen en heeft hij per zaak recht op een schadevergoeding. [appellant] betoogt verder dat hij voor elke zaak recht heeft op een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte slechts één keer de proceskosten vergoed. Daarnaast heeft de rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding ten onrechte de factor ‘zeer licht’ toegepast. De Afdeling hanteert namelijk de factor ‘licht’. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte geen oordeel gegeven over de ongegrondverklaring van het bezwaar en de weigering om proceskosten voor de bezwaarfase te vergoeden. Er had een proceskostenvergoeding voor bezwaar moeten worden toegekend, aldus [appellant].
4. De onder 3 genoemde gronden - met uitzondering van de grond over de proceskostenvergoeding in bezwaar - heeft [appellant] ook ingediend in zaak nr. 202500507/1/A3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2026:3267) een oordeel over die gronden gegeven. Daarom verwijst de Afdeling naar die uitspraak, onder 3, 4, 6 en 7. Gelet daarop slagen de betogen van [appellant] niet. Aangezien [appellant] zijn onder 2.2 vermelde beroepsgrond niet heeft onderbouwd, gaat de Afdeling daaraan voorbij.
5. Verder heeft [appellant] erop gewezen dat het primaire besluit van 20 januari 2022 herroepen is doordat niet volledig op het verzoek was beslist en in de bezwaarfase na heroverweging alsnog documenten gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. Het college had daarom een proceskostenvergoeding voor bezwaar moeten toekennen. De rechtbank heeft daar ten onrechte geen oordeel over gegeven, aldus [appellant].
6. In het besluit van 18 juni 2024 staat het volgende over de proceskostenvergoeding:
"Met dit aanvullend besluit op bezwaar zijn wij van mening dat tegemoet gekomen is aan uw bezwaren c.q. beroep. Indien en voor zover u deze mening deelt en het beroep intrekt bij de rechtbank bestaat er recht op een vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase ter hoogte van 1 punt ad € 597, voor het indienen van het beroepschrift."
In de voetnoot bij deze alinea staat het volgende:
"De proceskostenvergoeding voor het indienen van het bezwaarschrift is reeds toegekend met het besluit van 17 november 2022."
In het besluit van 17 november 2022 staat over de proceskostenvergoeding het volgende:
"U heeft verzocht om een proceskostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede lid van de Awb. Nu het bestreden besluit wordt herroepen, zien wij aanleiding om een vergoeding toe te kennen. Conform het Besluit proceskosten bestuursrecht kennen wij een vergoeding toe van 1 punt, één voor het indienen van een bezwaarschrift, met een waarde van 541,- euro per punt. In totaal kennen wij een bedrag van 541,- euro toe."
7. Bij besluit van 17 november 2022 is het besluit van 20 januari 2022 door het college herroepen. Daarvoor heeft [appellant] van het college een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ontvangen. Het besluit van 18 juni 2024 is vervolgens ambtshalve genomen naar aanleiding van het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep. In dat besluit staat:
"Naar aanleiding van het ontvangen beroepschrift hebben wij nogmaals de gehele procedure van aanvraag tot beslissing op bezwaar onder de loep genomen en zien redenen om ons besluit van 17 november 2022 gedeeltelijk te herroepen."
Het college heeft daarom over de proceskostenvergoeding opgemerkt dat de kosten voor het instellen van beroep zullen worden vergoed als [appellant] naar aanleiding van het besluit van 18 juni 2024 besluit om zijn beroep bij de rechtbank in te trekken. Hij heeft immers kosten gemaakt voor het instellen van dat beroep. Het is niet zo dat [appellant] voor dit aanvullende besluit op bezwaar nog een keer een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase moet krijgen. Die heeft hij immers al gehad. Bovendien heeft hij voorafgaand aan het besluit van 18 juni 2024 - afgezien van de kosten voor het instellen van beroep bij de rechtbank - geen andere kosten hoeven maken.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
Proceskosten
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van R.J.A. Meerman, griffier.