Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3267

Raad van State

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
202500507/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:58 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over gedeeltelijke openbaarmaking werfkelders Utrecht

Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om openbaarmaking van documenten over schades aan werfkelders in het centrum van Utrecht, waaronder rapportages, inspectierapporten en tekeningen. Het college maakte de informatie gedeeltelijk openbaar. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond.

Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde onder meer aan dat de hoorplicht in de bezwaarfase was geschonden, de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn onjuist was toegekend en dat de proceskostenvergoeding onjuist was berekend. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden, de rechtbank terecht één schadevergoeding toekende voor samenhangende zaken en dat de proceskostenvergoeding correct was, ondanks een onjuiste berekening.

Daarnaast wees de Afdeling het late indienen van nadere beroepsgronden door appellant af wegens schending van de goede procesorde. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202500507/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 10 december 2024 in zaak nr. 22/5930, 23/49 en 23/89 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Procedure 23/89
Bij besluit van 16 februari 2022 heeft het college beslist op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten.
Bij besluit van 1 december 2022 heeft het college beslist op het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar en het besluit van 16 februari 2022 gedeeltelijk herroepen.
Procedure 23/49
Bij besluit van 26 juli 2022 heeft het college beslist op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten.
Bij besluit van 22 december 2022 heeft het college beslist op het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar en het besluit van 26 juli 2022 in stand gelaten.
Procedure 22/5930
Bij (deel)besluit van 30 augustus 2021 heeft het college beslist op het eerste deel van het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten.
Bij (deel)besluit van 20 september 2021 heeft het college beslist op het tweede deel van het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten.
Bij besluit van 17 november 2022 heeft het college beslist op het tegen deze besluiten door [appellant] gemaakte bezwaar en de besluiten van 30 augustus 2021 en 20 september 2021 in stand gelaten.
Vervolg alle drie de procedures
Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft de rechtbank de door [appellant] ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 februari 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat in Velp, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. van Gellekom en ing. W.T. Akkermans, zijn verschenen. Tijdens de zitting zijn ook zaak nrs. 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500453/1/A3, 202500469/1/A3, 202500470/1/A3, 202500473/1/A3 en 202500482/1/A3 behandeld. Dat zijn zeven andere zaken van [appellant].
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft - kort samengevat - verzocht om openbaarmaking van informatie over schades aan werfkelders in het centrum van Utrecht. De drie zaken gaan over rapportages van het bedrijf Crux en schademeldingen sinds 2010 (UTR 22/5930), inspectierapporten over gebreken en lekkages (UTR 23/49) en schetsen, tekeningen en plattegronden van werfkelders vanaf het jaar 2000 (UTR 23/89). Het college heeft de informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt. De rechtbank heeft die besluiten in stand gelaten. [appellant] is het daar niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
Gelijktijdige behandeling en nader stuk van 31 januari 2026
2.       [appellant] heeft meerdere procedures bij de Afdeling lopen. Zeven andere zaken van hem zijn tegelijk op zitting behandeld. Het gaat om zaak nrs. 202300453/1/A3, 202306243/1/A3, 202306913/1/A3, 202500469/1/A3, 202500470/1/A3, 202500473/1/A3 en 202500482/1/A3. In zes van de acht zaken heeft [appellant] op 31 januari 2026 een nader stuk ingediend. Dat geldt ook voor deze zaak. De Afdeling heeft over dat stuk als volgt besloten.
2.1.    Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals is geregeld in artikel 8:58 van Pro de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:232), onder 1.1.
2.2.    Het hogerberoepschrift van [appellant] dateert van 19 februari 2025. Daarin heeft hij de volgende - niet onderbouwde - beroepsgrond aangevoerd:
"Ondergetekende kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. De gronden zijn als volgt. (…) Ten tweede heeft de rechtbank miskend dat verweerder geen nadere informatie hoefde te openbaren. De overwegingen van de rechtbank zijn onjuist. Dit zal nadien worden beargumenteerd."
Op de laatste dag voor het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, dus op 31 januari 2026, heeft [appellant] zijn eerder aangevoerde beroepsgrond onderbouwd. Hij stelt dat de door het college uitgevoerde zoekslag naar documenten niet deugdelijk is onderbouwd, dat het niet geloofwaardig is dat er niet meer documenten onder het college berusten, dat het college informatie ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt en dat het college de toegepaste weigeringsgronden ten onrechte niet per documentonderdeel heeft gemotiveerd.
2.3.    De Afdeling acht de zeer late indiening van deze nieuwe beroepsgronden op 31 januari 2026 in strijd met de goede procesorde. Tussen het indienen van het hogerberoepschrift op 19 februari 2025 en de onderbouwing daarvan op 31 januari 2026 is bijna een jaar verstreken. Op 11 februari 2026 zijn acht zaken van [appellant] behandeld. Dezelfde onderbouwing heeft hij - toegespitst op de desbetreffende zaak - ook in vijf andere zaken ingebracht. Er is niet gebleken dat deze onderbouwing niet eerder ingediend had kunnen worden. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat zijn vader in 2025 is overleden en dat hij verstoken was van rechtsbijstand, omdat zijn rechtsbijstandsverlener zich had teruggetrokken. De rechtsbijstandsverlener heeft zich op 19 februari 2025 echter al afgemeld als gemachtigde in deze zaak. [appellant] had dus een geruime periode om een nieuwe rechtsbijstandsverlener in te schakelen. Daarnaast heeft hijzelf de hogerberoepschriften op 19 februari 2025 ingediend. De onderbouwing die op 31 januari 2026 is gevolgd, had [appellant] - in ieder geval voor wat betreft de beschrijving van wat er feitelijk is gebeurd - ook zelf kunnen indienen, mede gelet op het feit dat hij veel procedures bij de Afdeling heeft lopen en van hem in dat opzicht meer verwacht mag worden dan van een gemiddelde burger. In meerdere zaken van [appellant] waarin de Afdeling uitspraak heeft gedaan, procedeerde hij immers ook zelf zonder rechtsbijstandsverlener. Daarbij komt dat nu vlak voor de zitting niet alleen in deze zaak, maar ook in vijf andere zaken een nadere onderbouwing van meerdere pagina’s wordt ingediend. Zonder die onderbouwing is de onder 2.2 weergegeven zeer algemeen geformuleerde beroepsgrond niet goed te begrijpen. De late indiening van de nadere onderbouwing schaadt een goede rechtspleging, omdat, als de indiening van deze onderbouwing in elk van die zaken zou worden ingewilligd, de Afdeling en ook het college zich daardoor onvoldoende op de zitting zou kunnen voorbereiden.
2.4.    Aangezien [appellant] in zijn hogerberoepschrift van 19 februari 2025 de andere beroepsgronden minder algemeen heeft geformuleerd en al wel gedeeltelijk heeft onderbouwd, zal de Afdeling zijn nadere onderbouwing van die beroepsgronden in het stuk van 31 januari 2026, ondanks het late tijdstip van indienen, wel meenemen. Het gaat dan om de onderbouwing dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden, dat de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn verkeerd is berekend omdat geen sprake is van samenhangende zaken, dat bij de proceskostenvergoeding voor de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn een verkeerde wegingsfactor is toegepast en dat daarbij ten onrechte niet een proceskostenvergoeding per zaak is toegekend. De Afdeling zal die beroepsgronden hierna beoordelen.
2.5.    De Afdeling merkt over de wijze van procederen door [appellant] nog het volgende op. De Afdeling heeft met de uitspraken van vandaag sinds december 2023 inmiddels vijftig uitspraken in zaken van [appellant] gedaan. Op dit moment lopen er ook nog rond de twintig nieuwe procedures van hem bij de Afdeling. Die procedures gaan allemaal over zijn pand aan de [locatie] in Utrecht of deze zijn daaraan te relateren, waarbij het met name gaat om handhavingsverzoeken, omgevingsvergunningen en verzoeken op grond van de Wet open overheid. In de brief van 4 oktober 2022 die in zaak nr. 202306913/1/A3 voorligt en waarin het college te kennen heeft gegeven de communicatie met [appellant] te willen stroomlijnen, staat dat er op dat moment meer dan tweehonderd bezwaar- en beroepsprocedures tussen [appellant] en de gemeente liepen. Daarbij heeft de Afdeling geconstateerd dat [appellant] in zaak nr. 202500470/1/A3 in zijn hogerberoepschrift op geen enkele wijze is ingegaan op de uitspraak van de rechtbank, maar dat hij heeft volstaan met het indienen van een kopie van het hogerberoepschrift dat hij ook in de andere procedures heeft ingediend. De Afdeling is van oordeel dat dit een belangrijke aanwijzing is die kan duiden op misbruik van recht, mede gezien de grote hoeveelheid procedures die [appellant] voert. Daarbij merkt de Afdeling verder nog op dat [appellant] in de door hem gevoerde Woo-procedures voornamelijk verzoekt om vergoeding van de proceskosten, schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een procedure moet zijn geëindigd en de proceskosten voor het doen van dat verzoek om schadevergoeding. Bovendien stuurt hij processtukken te laat in of komt hij op een zeer laat of te laat tijdstip met beroepsgronden, wat in strijd is met een goede procesorde. Zie de uitspraak van vandaag in zaak nr. 202306243/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:3266), onder 5.4. Hoewel de Afdeling in deze Woo-procedures nog geen misbruik van recht heeft aangenomen, wijst de Afdeling [appellant] erop dat dit bij voortzetting van de hiervoor beschreven werkwijze in een volgende procedure mogelijk wel wordt aangenomen.
Beoordeling van het hoger beroep
Is de hoorplicht in de bezwaarfase geschonden?
3.       [appellant] betoogt dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden. Op 4 oktober 2022 is aan hem een maatregel opgelegd dat hij alleen via een specifiek e-mailadres contact met de gemeente mag opnemen. Daardoor kon hij niet deelnemen aan de hoorzitting in bezwaar, aldus [appellant]. De Afdeling volgt hem daarin niet. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4 en 5 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daar nog het volgende aan toe. De hoorzitting vond plaats op 27 oktober 2022. De uitnodiging daarvoor is van 13 oktober 2022 en daarnaast is de datum van 27 oktober 2022 tijdens een zitting bij de rechtbank Midden-Nederland op 6 september 2022 al met partijen afgestemd. Als het voor [appellant] onduidelijk was of hij bij de hoorzitting aanwezig mocht zijn, dan had het op zijn weg gelegen om daarover contact met het college op te nemen en daarmee niet te wachten tot de avond van 26 oktober 2022.
Het betoog slaagt niet.
Is de schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn juist?
4.       De rechtbank heeft [appellant] een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan. Daarbij heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat deze zaak samenhangt met de andere zaken die de rechtbank op dezelfde dag heeft behandeld en dat de drie beroepen die bij haar in deze zaken voorlagen ook samenhangen. Gelet daarop is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat één behandeltermijn moet worden gehanteerd en dat [appellant] één keer een schadevergoeding van € 1.500,00 krijgt. [appellant] is het daar niet mee eens. Volgens hem hangen de zaken niet met elkaar samen. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn ook op dit punt een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 26 tot en met 30 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Is de proceskostenveroordeling voor het verzoek om schadevergoeding juist?
5.       [appellant] betoogt dat hij voor elke zaak recht heeft op een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte slechts één keer de proceskosten vergoed. Daarnaast heeft de rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding ten onrechte de factor ‘zeer licht’ toegepast. De Afdeling hanteert namelijk de factor ‘licht’, aldus [appellant].
6.       De rechtbank heeft in deze zaak het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In de andere samenhangende zaken heeft de rechtbank dat niet gedaan. Zij heeft voor de proceskostenvergoeding in die zaken verwezen naar haar uitspraak die in deze procedure voorligt. De rechtbank heeft juist gehandeld. Het gaat in dit geval om samenhangende zaken waarvoor slechts één keer een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend. Het doen van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van de proceskosten voor het doen van dat verzoek levert nauwelijks extra werk op. Gelet daarop en op het feit dat in het geval van [appellant] zijn verzoeken in de kern neerkomen op één verzoek, heeft hij maar één keer recht op een proceskostenvergoeding voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7.       De rechtbank heeft bij de berekening van de proceskostenvergoeding twee punten toegekend: één punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding en één punt voor het bijwonen van de zitting. De waarde per punt bedroeg € 875,00. Vervolgens heeft de rechtbank een wegingsfactor van 0,25 toegepast. Het bedrag komt daarmee uit op € 437,50. Hoewel de berekening van de rechtbank niet juist is, is de uitkomst wel juist. [appellant] heeft namelijk slechts recht op één punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:771), onder 3.1. Daarop past de Afdeling een wegingsfactor van 0,5 toe. Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5294), onder 2.2. Die berekening leidt uiteindelijk tot dezelfde uitkomst. [appellant] is door de onjuiste berekening van de rechtbank daarom niet benadeeld.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
Proceskosten
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026