ECLI:NL:RVS:2026:232

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202204395/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen uitspraak rechtbank Midden-Nederland over niet tijdig nemen van besluit op omgevingsvergunning aanvraag

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juni 2022. De rechtbank had het beroep van [appellant] gegrond verklaard, omdat het college van burgemeester en wethouders van Soest niet tijdig een besluit had genomen op zijn aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het in stand houden van vier recreatiewoningen. De rechtbank stelde een dwangsom vast van € 1.442,00 en gaf het college de opdracht om binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen.

[appellant] had op 6 februari 2020 de omgevingsvergunning aangevraagd, maar omdat er geen besluit kwam, heeft hij beroep ingesteld. De rechtbank oordeelde dat het college in gebreke was gebleven. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld, omdat hij het niet eens was met de termijn van acht weken en de hoogte van de dwangsom.

Tijdens de zitting op 30 juni 2025, waar [appellant] werd bijgestaan door mr. M. Gideonse en het college vertegenwoordigd was door mr. P.S. Dijkstra en mr. B.W.B.M. van den Bosch, werd het standpunt van het college besproken dat een door [appellant] ingediend stuk te laat was ingediend. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat dit stuk niet buiten beschouwing kon worden gelaten.

Uiteindelijk heeft het college op 10 oktober 2022 alsnog een besluit genomen en de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. De Afdeling oordeelde dat het doel van het hoger beroep, namelijk het verkrijgen van een besluit, inmiddels was bereikt en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202204395/1/R4.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 3 juni 2022 in zaak nr. 22/1092 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Soest.
Procesverloop
Bij uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en de door het college te betalen dwangsom vastgesteld op € 1.442,00. Verder heeft zij het college opgedragen binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en heeft zij bepaald dat het college een dwangsom van € 100,00 moet betalen voor elke dag waarmee het de door haar gestelde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Gideonse, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.S. Dijkstra en mr. B.W.B.M. van den Bosch, zijn verschenen.
Overwegingen
Goede procesorde
1.       Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat een door [appellant] ingediend nader stuk zeer omvangrijk is en te kort voorafgaand aan de zitting is ingediend. Volgens hem moet dat stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.
1.1.    Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.
1.2.    Het omvangrijke nadere stuk waar het college op doelt, is ingediend op 4 juni 2025 en ruim voor de tiendagentermijn ontvangen en doorgezonden aan het college. Bovendien heeft [appellant] onbestreden gesteld dat het college vanwege eerdere procedures al bekend was met de inhoud van dit stuk. De Afdeling ziet daarom geen reden om dit stuk buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.
Niet tijdig nemen van een besluit
2.       [appellant] heeft op 6 februari 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het in stand houden van vier recreatiewoningen op het recreatieterrein aan de [locatie] in Soesterberg. Omdat een besluit op de aanvraag uitbleef, heeft [appellant] beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Bij de uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank vastgesteld dat het college niet tijdig een besluit op [appellant]s aanvraag heeft genomen en heeft zij het beroep gegrond verklaard.
3.       [appellant] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, omdat hij zich niet kan verenigen met de daarin gestelde termijn van acht weken om alsnog een besluit op zijn aanvraag bekend te maken. Verder is hij het niet eens met de hoogte van de daarin bepaalde dwangsom voor het geval het college die termijn overschrijdt. Volgens [appellant] had de rechtbank een kortere termijn moeten stellen voor het nemen van het besluit en een hogere dwangsom moeten verbinden aan het niet tijdig voldoen aan haar uitspraak, omdat het college bewust de besluitvorming op zijn aanvraag heeft uitgesteld.
4.       Bij het besluit van 10 oktober 2022 heeft het college alsnog een besluit op de aanvraag genomen en de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Het beroep van [appellant] dat van rechtswege tegen dit besluit is ontstaan, wordt behandeld in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:99.
5.       Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is een middel om er in dit geval voor te zorgen dat het college een besluit neemt op de aanvraag van [appellant]. De vaststelling van de termijn en de dwangsom, waartegen het hoger beroep zich richt, dienen datzelfde doel. Doordat het college bij het besluit van 10 oktober 2022 alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag van [appellant], is dat doel inmiddels bereikt. Dit betekent dat [appellant] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep.
6.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Veldwijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
912-1098