ECLI:NL:RVS:2026:3221
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bewaring en uitzetting vreemdeling
Verzoeker is op 28 april 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Verzoeker ging in hoger beroep en vroeg tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op zijn asielaanvraag zou zijn beslist.
Op 20 mei 2026 diende verzoeker een opvolgende asielaanvraag in, waarna de minister op 21 mei 2026 de voorgenomen uitzetting annuleerde. Verzoeker trok daarop het verzoek om voorlopige voorziening in en vroeg vergoeding van proceskosten. De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake was van tegemoetkomen door de minister, omdat de annulering van de uitzetting het gevolg was van door verzoeker toe te rekenen gewijzigde omstandigheden.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening en proceskostenvergoeding af, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De uitspraak werd gedaan op 5 juni 2026 door mr. M.C. Stoové.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.