AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bewaring en uitzetting vreemdeling
Verzoeker is op 28 april 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Verzoeker ging in hoger beroep en vroeg tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op zijn asielaanvraag zou zijn beslist.
Op 20 mei 2026 diende verzoeker een opvolgende asielaanvraag in, waarna de minister op 21 mei 2026 de voorgenomen uitzetting annuleerde. Verzoeker trok daarop het verzoek om voorlopige voorziening in en vroeg vergoeding van proceskosten. De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake was van tegemoetkomen door de minister, omdat de annulering van de uitzetting het gevolg was van door verzoeker toe te rekenen gewijzigde omstandigheden.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening en proceskostenvergoeding af, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De uitspraak werd gedaan op 5 juni 2026 door mr. M.C. Stoové.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 13 mei 2026 in zaak nr. NL26.24020 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2026 heeft de minister verzoeker in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 21 mei 2026 heeft verzoeker het verzoek ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht de minister te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
De minister heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft op 20 mei 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Op 21 mei 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn asielaanvraag is beslist. Op diezelfde dag heeft de minister de voorgenomen uitzetting van verzoeker geannuleerd, omdat verzoeker een opvolgende asielaanvraag had ingediend.
2. Voor een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker tegemoetgekomen is. Van tegemoetkomen is geen sprake als de minister terugkomt van een geplande uitzetting wegens aan een vreemdeling toe te rekenen gewijzigde omstandigheden. Dat is in deze zaak het geval. Verzoeker heeft pas na bekendmaking van de vluchtgegevens een opvolgende asielaanvraag ingediend, en als gevolg daarvan is een dag later de vlucht geannuleerd. Daarom bestaat geen aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3985.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.