202406368/1/V1.
Datum uitspraak: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 oktober 2024 in zaak nr. 24/12785 in het geding tussen:
appellant
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2024 heeft het COA een verzoek van appellant om hem terug te plaatsen naar een minderjarigenopvang, afgewezen.
Bij uitspraak van 3 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.A. Blaas, advocaat in 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Het COA heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft bij de minister van Asiel en Migratie op 18 juli 2023 een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en verklaard dat zijn [geboortedatum A] 2009 is. Het COA heeft appellant in eerste instantie in een opvanglocatie voor minderjarigen geplaatst. Medewerkers van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel en van de IND hebben namelijk bij appellant een leeftijdsschouw uitgevoerd, waarbij de eindconclusie is dat twijfel bestaat.
2. De minister heeft, naar aanleiding van die eindconclusie en een Eurodac/EUVIS-treffer, onderzoek gedaan naar de leeftijd van appellant in Italië. De Italiaanse autoriteiten hebben de minister laten weten dat appellant in Italië geregistreerd staat als meerderjarig. Daarom heeft de minister op 16 november 2023 de geboortedatum van appellant aangepast naar [geboortedatum B] 2003.
3. Het COA heeft wegens de aanpassing door de minister van de leeftijd van appellant naar meerderjarig, hem op 19 november 2023 overgeplaatst naar een opvanglocatie voor meerderjarigen.
Toetsingskader
4. De Afdeling heeft in de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011, onder 6.1, overwogen dat het COA in beginsel mag uitgaan van de leeftijdsbepaling door de minister, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn leeftijd. In dat geval moet het COA navraag doen bij de minister over de leeftijdsbepaling en daarover in samenspraak met de minister zelf een standpunt vormen in het kader van de opvangbehoeften van een vreemdeling. De Afdeling heeft dit toetsingskader verduidelijkt in de uitspraak van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5822, onder 2.2 tot en met 5.2. Toepassing toetsingskader
5. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het COA mocht vasthouden aan de leeftijdsbepaling door de minister. Appellant heeft bij het COA in juni 2024 bezwaar gemaakt tegen de overplaatsing. Het COA heeft dat bezwaar aangemerkt als verzoek om terugplaatsing naar de minderjarigenopvang. Appellant heeft in dat verzoek concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel over zijn leeftijd, als bedoeld in de uitspraak van 10 december 2025, onder 3.1 en 3.2. Appellant heeft het COA laten weten dat hij tegen de leeftijdsbepaling bezwaar heeft gemaakt bij de minister en de inhoud daarvan bij het COA herhaald. Appellant heeft daarbij gesteld dat hij minderjarig is en een foto overgelegd van een doopakte waarin staat dat hij geboren is op [geboortedatum] 2009. Verder heeft appellant verwezen naar het rapport van het aanmeldgehoor waarin hij heeft verklaard dat hij bij aankomst in Italië wegens de zware reis erg in de war was en zich niet kan herinneren aan de Italiaanse autoriteiten een andere geboortedatum te hebben opgegeven en mogelijk iemand anders dat heeft gedaan. Ook heeft hij verklaard zich niet veilig te voelen in de meerderjarigenopvang. Hij gaat naar school, maar deelt zijn kamer met volwassenen die ’s nachts bellen en drinken, waardoor hij niet kan slapen. In dit kader noemt hij ook dat hij in de volwassenenopvang geen toegang tot onderwijs heeft.
5.1. Het COA heeft navraag gedaan bij de minister over de leeftijdsbepaling. De minister heeft het COA op 10 juli 2024 een memo gestuurd over de leeftijdsbepaling van appellant. Het COA heeft naar aanleiding daarvan in het besluit een standpunt gevormd over de opvangbehoeften van appellant. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het COA dat deugdelijk gemotiveerd heeft gedaan.
5.2. Het COA heeft zich namelijk bij het bepalen van de opvangbehoeften van appellant uitsluitend gebaseerd op het standpunt van de minister weergegeven in de memo van 10 juli 2024. Het COA heeft daarbij betrokken dat de minister onverminderd vasthoudt aan de gegevens opgegeven in Italië, omdat appellant de gestelde minderjarigheid niet met authentieke identificerende documenten of een leeftijdsonderzoek heeft aangetoond. De rechtbank heeft niet onderkend dat het COA zich niet had mogen baseren op dit standpunt van de minister. Het COA had zich, achteraf bezien, moeten realiseren dat het standpunt van de minister achterhaald is. De Afdeling heeft namelijk in haar uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9 tot en met 7.3, overwogen dat de minister bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn, zich voor de leeftijdsregistratie van een andere lidstaat niet mag beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gegevens opgegeven in Italië leidend zijn. De minister moet bij de leeftijdsbepaling steeds alle feiten en omstandigheden meewegen. Of de minister dat heeft gedaan blijkt niet uit de memo van 10 juli 2024. 5.3. Uit de memo van 10 juli 2024 blijkt niet dat de minister, mede in het licht van de verklaring van appellant over de door hem naar voren gebrachte omstandigheden rond de registratie, is nagegaan waarop de leeftijdsregistratie in Italië is gebaseerd. De minister heeft in de memo verder ten onrechte het standpunt ingenomen dat hij blijft vasthouden aan de in Italië opgegeven gegevens, omdat appellant zijn minderjarigheid moet aantonen en daarin niet is geslaagd, omdat hij met de doopakte geen identificerend document heeft overgelegd en het bovendien gaat om een kopie die de minister niet op echtheid kan laten controleren. De rechtbank heeft niet onderkend dat het COA, gelet op deze gebreken in de memo van de minister, deze memo niet aan zijn besluit over de opvangbehoefte van appellant ten grondslag had mogen leggen. Voor de volledigheid herhaalt de Afdeling dat, ook als de minister een memo stuurt dat het COA aan zijn besluit ten grondslag mag leggen, het COA vervolgens een eigen standpunt moet vormen over de opvangbehoeften van de betrokken vreemdeling, omdat het COA verantwoordelijk is voor de passende opvangbehoeften van deze vreemdeling. Dit standpunt vormt het COA mede aan de hand van een toelichtende memo van de minister. Zie hiervoor de hierboven al genoemde uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, onder 2.1. De grief slaagt.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 26 juli 2024. Het COA moet een nieuw besluit nemen op het verzoek van appellant om terugplaatsing naar de minderjarigenopvang. Het COA moet de proceskosten vergoeden.
Judiciële lus
7. De Afdeling ziet met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil en gelet op de duur van de procedure aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw door het COA te nemen besluit op de aanvraag slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 oktober 2024 in zaak nr. 24/12785;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 26 juli 2024, kenmerk 5029382;
V. draagt het COA op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het verzoek te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. veroordeelt het COA tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026
966