ECLI:NL:RVS:2026:307

Raad van State

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000310
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 72, derde lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overplaatsing naar vrijheidsbeperkende locatie in asielprocedure

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 17 september 2025 is afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het daaropvolgende beroep van verzoeker ongegrond op 20 november 2025. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op 16 januari 2026 maakte verzoeker bezwaar tegen zijn feitelijke overplaatsing naar een vrijheidsbeperkende locatie, gepland op 19 januari 2026, en verzocht om een voorlopige voorziening om in een reguliere opvanglocatie te mogen blijven. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft dit verzoek behandeld.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de overplaatsing naar een vrijheidsbeperkende locatie niet mag plaatsvinden totdat het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan op 19 januari 2026.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden overgeplaatst naar een vrijheidsbeperkende locatie totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.000310
Datum uitspraak: 19 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2025 in zaak nr. NL25.46070 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 september 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.
Verzoeker heeft op 16 januari 2026 met het oog op artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overplaatsing naar een vrijheidsbeperkende locatie op 19 januari 2026. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij in een reguliere opvanglocatie mag blijven. De griffier van de rechtbank heeft dit verzoek op 16 januari 2026 doorgezonden naar de Afdeling.
Overwegingen
1.        Op dit moment heeft de Afdeling in hoger beroep nog geen uitspraak gedaan over de rechtmatigheid van het besluit van 17 september 2025. De Afdeling merkt het bezwaar tegen de feitelijke overplaatsing naar een vrijheidsbeperkende locatie aan als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, onder 1.2.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden overgeplaatst naar een vrijheidsbeperkende locatie, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Mercelina
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026
938-1046