Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3045

Raad van State

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
202503649/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbArt. 16 Wet inburgering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over terugbetaling lening inburgeringscursus gezinsmigrant met reguliere verblijfsvergunning

De zaak betreft een gezinsmigrant met een reguliere verblijfsvergunning die een lening moest terugbetalen voor een inburgeringscursus. De minister had hem ontheven van de inburgeringsplicht, maar stelde vast dat de lening van €8.940,68 moest worden terugbetaald. De minister had het maandbedrag verlaagd vanwege financiële situatie, maar had geen volledige evenredigheidsbeoordeling gemaakt.

De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en oordeelde dat de terugvordering niet onevenredig was. Appellant stelde dat de terugvordering zijn integratie belemmert en dat de minister geen ruimte heeft om kwijtschelding toe te passen, wat in strijd zou zijn met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en de Gezinsherenigingsrichtlijn.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de overwegingen van het Hof van Justitie over asielstatushouders niet een-op-een gelden voor gezinsmigranten, maar dat de minister wel een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling moet maken waarbij rekening wordt gehouden met bijzondere individuele omstandigheden. De minister heeft dit nagelaten, waardoor het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

De Afdeling draagt de minister op binnen acht weken het besluit te herstellen door alsnog een evenredigheidsbeoordeling te verrichten en hierover te motiveren. De uitspraak betreft een tussenuitspraak in het hoger beroep tegen het besluit tot terugvordering van de lening.

Uitkomst: De minister moet het besluit herstellen door een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling te maken en hierover te motiveren.

Uitspraak

202503649/1/V6.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2025 in zaak nr. 24/6149 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Werk en Participatie (de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaald dat [appellant] vanaf 1 maart 2024 moet beginnen met het terugbetalen van een lening voor het volgen van een inburgeringscursus.
Bij besluit van 8 mei 2024 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. Wiersma, advocaat in Rotterdam, is verschenen. De minister, vertegenwoordigd door mr. F. Hummel-Fekkes, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Hij verblijft bij zijn zoon die ook beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Bij brief van 12 december 2016 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is. Zijn inburgeringstermijn is op 21 oktober 2016 gestart en hij had, met verlenging in verband met corona-maatregelen, tot en met 20 september 2024 om te voldoen aan zijn inburgeringsplicht. Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft de minister [appellant] ontheven van de inburgeringsplicht, omdat hij genoeg heeft gedaan om in te burgeren. De minister heeft vervolgens bepaald dat zijn schuld € 8.940,68 bedraagt en dat hij maandelijks € 81,33 moet betalen. De minister heeft zich in het besluit van 8 mei 2024 op het standpunt gesteld dat uit de Wet inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022 (Wi), volgt dat [appellant] de lening moet terugbetalen en dat hij niet voldoet aan de vereisten om voor kwijtschelding van de lening in aanmerking te komen. De minister heeft wel een beoordeling gemaakt van de financiële situatie van [appellant] en het maandbedrag voor 2024 verlaagd naar € 0,00 per maand. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft de minister laten weten dat hij het maandbedrag voor 2025 heeft vastgesteld op € 31,36 en het maandbedrag voor 2026 op € 0,00.
2.       De Afdeling stelt voorop dat deze uitspraak alleen gaat over gezinsmigranten met een reguliere verblijfsvergunning, die verblijven bij een familie- of gezinslid dat ook een reguliere verblijfsvergunning heeft (gezinsmigranten). Deze uitspraak gaat dus niet over gezinsmigranten met een reguliere verblijfsvergunning voor verblijf bij een houder van een asielvergunning als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, van het Besluit inburgering (Bi), zoals deze luidde tot 1 januari 2022.
Wettelijk kader en beleidskader
3.       Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Op dit geding is de Wi van toepassing zoals deze luidde tot 1 januari 2022.
Uitspraak van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, waaronder het arrest van 4 februari 2025, Keren, ECLI:EU:C:2025:52, niet volgt dat artikel 4.13 van het Bi in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn of met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat uit wat [appellant] naar voren heeft gebracht niet volgt dat de terugvordering van de lening onevenredig is. [appellant] heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de terugbetaling van de lening een groot beslag legt op zijn inkomen. Hoewel de minister in het besluit van 8 mei 2024 niet heeft beoordeeld of de terugvordering in strijd is met het nationaalrechtelijk evenredigheidsbeginsel, heeft de rechtbank geoordeeld dat de door de minister in beroep aangevulde motivering op dit punt afdoende is. Omdat [appellant] volgens de rechtbank hierdoor niet is benadeeld, heeft zij dit gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de hoorplicht van artikel 7:3 van Pro de Awb heeft geschonden. Omdat [appellant] hierdoor niet is benadeeld, heeft de rechtbank ook dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd.
Is het besluit van 8 mei 2024 in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn of het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel?
5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank had moeten oordelen dat artikel 4.13 van het Bi in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Hij voert aan dat de redenering van het Hof in het arrest Keren deels ook van toepassing is op personen die onder de Gezinsherenigingsrichtlijn vallen. Daarbij is van belang dat het arrest Keren weliswaar ging over de Kwalificatierichtlijn, maar dat ook de Gezinsherenigingsrichtlijn is gericht op het bevorderen van de integratie van onderdanen van derde landen. [appellant] wijst daarbij onder meer op punt 3 van de considerans van de Gezinsherenigingsrichtlijn, waarin staat dat de Europese Unie moet zorgen voor een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied verblijven en dat een krachtiger integratiebeleid erop gericht moet zijn om hun rechten te verlenen en verplichtingen op te leggen die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Europese Unie. [appellant] verzoekt de Afdeling hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
5.1.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister geen ruimte heeft om een verzoek om kwijtschelding in te willigen of af te zien van de terugvordering van de lening en dat dit in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. De minister kan weliswaar rekening houden met zijn financiële draagkracht, maar dit is volgens [appellant] minder van belang. [appellant] wijst daarbij op punt 45 van het arrest Keren, waarin het Hof een opmerking van de Afdeling heeft weergegeven, namelijk dat de terugbetalingsverplichting van een aanzienlijke schuld gedurende maximaal tien jaar blijft bestaan en dat dit een effectieve integratie in de gastlidstaat kan belemmeren. [appellant] voert aan dat de terugvordering in zijn situatie onevenredig is, omdat hij de dure lessen bij een taalschool met een Blik op Werk-keurmerk alleen heeft gevolgd om bevestigd te krijgen dat hij onvoldoende leerbaar is. Om ontheffing te krijgen wegens onvoldoende leerbaarheid is namelijk vereist dat de inburgeraar ten minste 600 uur onderwijs heeft gevolgd aan een school met een Blik op Werk-keurmerk en driemaal het inburgeringsexamen heeft afgelegd. Volgens [appellant] kon hij alleen aan dit vereiste voldoen door een lening aan te vragen. Ook zijn de kosten van de terugbetaling in verhouding tot zijn inkomen zeer hoog. Hij kan het geld dat beschikbaar is voor de afbetaling van de lening niet inzetten voor de scholing en de voetbalclub van zijn kind en zijn eigen ontwikkeling. Volgens [appellant] belemmert de volledige terugvordering in zoverre zijn verdere integratie en die van zijn familie.
5.2.    Het Hof heeft in de punten 80 tot en met 86 van het arrest Keren overwogen dat integratiemaatregelen voor asielstatushouders in beginsel kosteloos moeten zijn. Gelet op hun speciale behoeften, hun specifieke omstandigheden en hun bijzondere kwetsbaarheid, verzetten het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en het nuttig effect van artikel 34 van Pro de Kwalificatierichtlijn zich er namelijk tegen dat de lidstaten de kosten van deze maatregelen door asielstatushouders laten dragen. Dat is alleen anders als een asielstatushouder over voldoende financiële middelen beschikt. In dat geval mogen lidstaten een financiële bijdrage vragen, zolang deze niet onredelijk is. Hoewel een asielstatushouder volgens het Nederlandse inburgeringssysteem een lening kan afsluiten om de kosten van het integratieprogramma te betalen en daarbij rekening wordt gehouden met zijn individuele draagkracht, blijft hij in beginsel verplicht om de mogelijk zeer hoge kosten van het integratieprogramma te dragen. Dit doet volgens het Hof afbreuk aan de doelstelling om de effectieve integratie van die persoon in de samenleving van de gastlidstaat te verzekeren. Hiervoor heeft het Hof van belang geacht dat een asielstatushouder een onredelijke last wordt opgelegd die voor hem niet alleen een belemmering vormt om daadwerkelijk toegang te krijgen tot dat integratieprogramma, maar ook om gebruik te kunnen maken van de andere rechten en voordelen die hij aan de Kwalificatierichtlijn ontleent.
5.3.    De Afdeling is van oordeel dat het niet mogelijk is om deze overwegingen uit het arrest Keren een-op-een toe te passen op gezinsmigranten. Hiervoor acht de Afdeling van belang dat het Hof in dit arrest meerdere keren de bijzondere en kwetsbare positie van asielstatushouders heeft benadrukt. Zo heeft het Hof in punt 57 overwogen dat rekening moet worden gehouden met de speciale behoeften van asielstatushouders en de specifieke integratieproblemen waarmee zij worden geconfronteerd en heeft het in punt 80 hun speciale behoeften en hun bijzondere kwetsbaarheid meegewogen bij het oordeel dat lidstaten asielstatushouders de kosten van de verplichte integratiemaatregelen niet mogen laten dragen. Gezinsmigranten bevinden zich in beginsel niet in dezelfde positie als asielstatushouders. Daarom mogen lidstaten van gezinsmigranten andere verwachtingen hebben.
5.4.    Dit blijkt ook uit de integratiebepalingen van de Kwalificatierichtlijn en de Gezinsherenigingsrichtlijn. Artikel 34 van Pro de Kwalificatierichtlijn, dat staat in het hoofdstuk "Kenmerken van de internationale bescherming", verplicht lidstaten om asielstatushouders toegang te bieden tot integratieprogramma’s die zij passend achten om rekening te houden met hun specifieke behoeften of om te zorgen voor omstandigheden waaronder de toegang tot dergelijke programma’s gewaarborgd is. Lidstaten hebben dus de verplichting om ervoor te zorgen dat asielstatushouders gepaste integratieprogamma’s kunnen volgen. Dit valt onder de internationale bescherming die zij moeten bieden. Artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, dat in het hoofdstuk "Vereisten voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging" staat, biedt lidstaten de ruimte om gezinsmigranten te verplichten aan bepaalde integratievoorwaarden te voldoen. Verder volgt ook uit punt 64 van het arrest van het Hof van 9 juli 2015, K en A, ECLI:EU:C:2015:453, dat lidstaten meer mogen vragen van gezinsmigranten. Het Hof heeft daarin namelijk overwogen dat het lidstaten in beginsel vrijstaat om van gezinsmigranten te vereisen dat zij de kosten van de op grond van artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn vastgestelde integratievoorwaarden betalen en dat lidstaten de hoogte van deze kosten mogen vaststellen. In dat kader mag de minister dus van gezinsmigranten zoals [appellant] verlangen dat zij de kosten voor hun inburgeringscursus betalen. Op dit punt is de terugbetalingsverplichting voor gezinsmigranten niet in strijd met het Unierecht. Het betoog slaagt in zoverre niet.
5.5.    Uit het arrest K en A en het arrest van 7 november 2018, C en A, ECLI:EU:C:2018:876, volgt wel dat lidstaten bij het opleggen van integratievoorwaarden aan gezinsmigranten rekening moeten houden met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Zo heeft het Hof in punt 58 van het arrest K en A overwogen dat lidstaten de bijzondere individuele omstandigheden van gezinsmigranten, zoals leeftijd, opleidingsniveau, financiële situatie of gezondheidstoestand in aanmerking moeten nemen bij de beoordeling of zij een gezinsmigrant vrijstellen van de inburgeringsplicht. Daarnaast volgt uit de punten 64 en 65 van dit arrest dat lidstaten, volgens het evenredigheidsbeginsel, de kosten voor het inburgeringstraject niet zo hoog mogen vaststellen dat dit tot doel of gevolg heeft dat de uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. In dat geval zouden lidstaten afbreuk doen aan het met de Gezinsherenigingsrichtlijn nagestreefde doel en ontnemen zij daaraan haar nuttige werking. Dat zou met name het geval zijn als het bedrag van de kosten voor het inburgeringstraject buitensporig zou zijn gezien de aanzienlijke financiële gevolgen ervan voor de betrokken derdelanders. Het Hof heeft in punt 63 van het arrest C en A, onder verwijzing naar de punten 54 tot en met 70 van het arrest K en A, herhaald dat lidstaten de bijzondere individuele omstandigheden van gezinsmigranten in aanmerking moeten nemen en dat de kosten voor het inburgeringsexamen niet buitensporig mogen zijn.
5.6.    De Afdeling leidt uit deze rechtspraak af dat de minister in het concrete geval een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij hij afweegt of de bijzondere individuele omstandigheden van een gezinsmigrant maken dat hij de lening, al dan niet gedeeltelijk, moet kwijtschelden. De minister heeft, anders dan hij op de zitting bij de Afdeling heeft betoogd, dus de plicht om dit in het geval van een gezinsmigrant te beoordelen. Uit de Nederlandse wet- en regelgeving volgt dat de minister deze plicht heeft. Uit artikel 16, vijfde lid, van de Wi, en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur, het Bi, volgt namelijk dat de minister nadere regels kan stellen over de terugbetaling en kwijtschelding van de lening. Zo bepaalt artikel 4.13, eerste lid, van het Bi dat de minister de schuld op verzoek van de inburgeringsplichtige in bij regeling van de minister aan te wijzen gevallen geheel of gedeeltelijk kan kwijtschelden. In artikel 4.16a van de Regeling inburgering is uitgewerkt in welke gevallen en op welke manier de minister gebruikmaakt van deze bevoegdheid. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2953, onder 3.1, en 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2598, onder 4.1, is de minister verplicht om deze regels ook in het geval van een niet-asielstatushouder buiten toepassing te laten, wanneer toepassing in een bijzonder geval zo nadelige gevolgen heeft dat die onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
5.7.    De minister had gelet op het voorgaande een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling moeten verrichten, waarbij hij had moeten beoordelen of hij aanleiding ziet om de lening van [appellant], al dan niet gedeeltelijk, kwijt te schelden. Hij had daarbij rekening moeten houden met de aanzienlijk hoge kosten van het inburgeringsprogramma en de andere omstandigheden die [appellant] heeft aangevoerd. Zo heeft hij erop gewezen dat hij de 600 uur aan inburgeringslessen alleen heeft gevolgd om aan te tonen dat hij onvoldoende leerbaar is, dat de kosten van de terugbetaling van de lening zeer hoog zijn in verhouding tot zijn inkomen en dat hij het geld voor de terugbetaling niet kan gebruiken voor zijn eigen verdere ontwikkeling en die van zijn kind. Door deze Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling niet te verrichten, heeft de minister het besluit van 8 mei 2024 in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb niet zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd.
5.8.    Het betoog slaagt in zoverre.
Prejudiciële vragen?
6.       Uit wat de Afdeling hiervoor onder 5.2 tot en met 5.5 heeft overwogen, volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Hoorplicht
7.       Ten slotte heeft [appellant] tijdens de zitting bij de Afdeling betoogd dat de rechtbank ten onrechte de schending van de hoorplicht heeft gepasseerd. Hij had tijdens een hoorzitting zijn betoog over het evenredigheidsbeginsel verder willen toelichten en daarbij in willen gaan op zijn persoonlijke omstandigheden. Hij wijst daarbij op zijn lage inkomen en voert aan dat hij zijn geld wil besteden aan de integratie van zijn eigen gezin in plaats van aan de terugbetaling van zijn lening.
7.1.    Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarfase. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister [appellant] ten onrechte niet heeft gehoord, alleen al omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, heeft de minister in het besluit van 8 mei 2024 ten onrechte geen nationaalrechtelijke evenredigheidsbeoordeling gemaakt.
7.2.    De rechtbank mocht de schending van de hoorplicht in de bezwaarfase vervolgens wel passeren. [appellant] heeft in de beroepsfase alsnog zijn persoonlijke omstandigheden kunnen toelichten. De minister heeft in de beroepsfase alsnog een evenredigheidsbeoordeling gemaakt en is daarbij gemotiveerd ingegaan op de persoonlijke omstandigheden die [appellant] heeft aangevoerd. Hij is daarom door het afzien van het horen niet benadeeld.
7.3.    Het betoog slaagt niet.
Slotsom
8.       De conclusie is dat de minister het besluit van 8 mei 2024 niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
Bestuurlijke lus
9.       Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil, zal de Afdeling de minister opdragen om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak het hiervoor onder 5.7 geconstateerde gebrek in het besluit van 8 mei 2024 te herstellen door alsnog te beoordelen en te motiveren of het terugvorderen van de lening van [appellant] ook na het verrichten van een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling in stand kan blijven.
10.     In de einduitspraak wordt beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de minister van Werk en Participatie op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van overwegingen 5.7 en 9, het besluit van 8 mei 2024 met kenmerk JSCI320/004520696 te herstellen of in plaats daarvan een gewijzigd of nieuw besluit te nemen, de uitkomst aan de Afdeling en [appellant] mee te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Overeem, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Overeem
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
899-1174
BIJLAGE
Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn)
Artikel 7
[…]
2.       De lidstaten kunnen van onderdanen van derde landen verlangen dat zij overeenkomstig het nationale recht aan integratievoorwaarden voldoen.
De integratievoorwaarden als bedoeld in de vorige alinea kunnen ten aanzien van vluchtelingen/gezinsleden van vluchtelingen als bedoeld in artikel 12 alleen Pro worden toegepast nadat de betrokken personen gezinshereniging is toegestaan.
Vreemdelingenwet 2000, zoals deze luidde op 12 december 2016
Artikel 18
1.       Een aanvraag tot het verlenen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan Pro worden afgewezen indien:
[…]
i.        de vreemdeling niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering, binnen de in dat artikel genoemde termijn, of binnen de met toepassing van artikel 7, derde lid, van die wet of van de krachtens artikel 7, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van die wet gestelde regels verlengde termijn.
[…]
Artikel 19
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel d, wordt verleend.
Wet inburgering 2013
Artikel 16
1.       Onze minister verstrekt op aanvraag een lening aan de inburgeringsplichtige indien is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregelen van bestuur te stellen regels omtrent de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de lening wordt verstrekt en omtrent het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot het inburgeringsexamen, of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c.
[…]
4.       De inburgeringsplichtige of gewezen inburgeringsplichtige betaalt de lening vermeerderd met de volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels berekende rente terug.
5.       Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld omtrent:
a.       de hoogte van de lening;
b.       de betaling en de terugbetaling van de lening, en
c.       kwijtschelding.
Besluit inburgering 2013
Artikel 2.8b
1.       Een aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
2.       In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot het verlenen van de ontheffing.
3.       In afwijking van het eerste lid, kan de aanvraag tot ontheffing in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet.
4.       Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verlenen van de ontheffing.
Artikel 4.1a
1.       Aan de inburgeringsplichtige kan, behoudens het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de wet op aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000,- worden verstrekt ten behoeve van de kosten voor:
a.       het volgen van een cursus die opleidt tot de in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet bedoelde onderdelen van het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
b.       het afleggen van het staatsexamen, bedoeld in onderdeel a, of het inburgeringsexamen; of
c.       het volgen van een alfabetiseringscursus.
2.       De hoogte van de lening wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het overeenkomstig artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen te berekenen toetsingsinkomen van de inburgeringsplichtige en diens partner als bedoeld in artikel 3 van Pro die wet.
3.       Het tweede lid is niet van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in het eerste lid, die rechtmatig verblijf heeft op grond van een:
a.       verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; of
b.       verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, voor verblijf bij:
1°.     een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd,
2°.     een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, of
3°.     een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is verleend met een aantekening inzake internationale bescherming als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.       De lening ten behoeve van het volgen van een cursus wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus volgt bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet of een keurmerk als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de wet.
[…]
6.       Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste, tweede en vierde lid.
Artikel 4.6
1.       De terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste tien jaren.
[…]
Artikel 4.7
1.       De terugbetaling van de lening geschiedt in maandelijkse termijnbedragen, behoudens in de bij regeling van Onze Minister genoemde gevallen.
2.       De hoogte van het maandelijkse termijnbedrag wordt op basis van het aantal maanden van de terugbetalingsperiode tot een gelijk bedrag vastgesteld bij de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 4.6, derde lid, dan wel binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in 4.6, tweede lid, tweede volzin.
3.       Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de hoogte van het termijnbedrag alsmede de wijze waarop dit wordt berekend.
Artikel 4.13
1.       De schuld kan op verzoek van de inburgeringsplichtige door Onze Minister in bij regeling van Onze Minister aan te wijzen gevallen geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden.
2.       Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag van een debiteur om gehele of gedeeltelijke kwijtschelding een beschikking.
3.       Aan vreemdelingen als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, die op of na 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden, wordt volledige kwijtschelding van de schuld ambtshalve verleend indien:
a.       het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is afgerond en de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, zijn behaald;
b.       een vrijstelling van de inburgeringsplicht van toepassing is op grond van artikel 5 van Pro de wet; of
c.       ontheffing is verleend van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 6, eerste tot en met derde lid, van de wet.
4.       De kwijtschelding, bedoeld in het derde lid, wordt slechts verleend indien de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a, b of c, zich heeft voorgedaan binnen de termijn, genoemd in artikel 7a, eerste lid, van de wet respectievelijk de termijn, genoemd in artikel 7b, eerste lid, van de wet of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, van de wet respectievelijk artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet verlengde termijn.
Regeling inburgering 2013
Artikel 2.4b
De minister verleent de ontheffing, bedoeld in artikel 2.8b van het besluit, in ieder geval indien de inburgeringsplichtige:
a.       ten minste viermaal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen, waarvan ten hoogste twee van de examenpogingen de overeenkomstige onderdelen van het staatsexamen Nederlands als tweede taal betreffen, en ten minste 600 uur bij een cursusinstelling met het Blik op Werk-keurmerk heeft deelgenomen aan:
1°.     een inburgeringscursus;
2°.     een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, waarbij ten minste 200 uur besteed is aan de inburgeringscursus;
3°.     een cursus Nederlands als tweede taal; of
4°.     een combinatie van een inburgeringscursus en een cursus Nederlands als tweede taal;
b.       ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een alfabetiseringscursus bij een cursusinstelling met het Blik op Werk keurmerk en uit een door de minister afgenomen toets blijkt dat de inburgeringsplichtige niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen; of
c.       ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een combinatie van een alfabetiseringscursus en een inburgeringscursus, beide aan een cursusinstelling met het Blik op werk keurmerk, waarvan ten minste 300 uur besteed is aan de alfabetiseringscursus, en uit een door de Minister afgenomen toets blijkt dat de inburgeringsplichtige niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen.
Artikel 4.16a
1.       Op verzoek van de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, van het besluit, vindt gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld plaats indien de debiteur binnen de termijn, genoemd in artikel 7b, eerste lid, van de wet, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet verlengde termijn, maximaal twee onderdelen van het inburgeringsexamen nog niet had behaald, en uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn deze onderdelen alsnog heeft behaald, en diegene hiermee voldoet aan de inburgeringsplicht.
2.       Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, van het besluit, die uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn of de verlengde termijn, niet langer inburgeringsplichtig is vanwege:
a.       het indienen van een aanvraag tot ontheffing als bedoeld in artikel 2.4b, onderdeel a, en de verzochte ontheffing is verleend;
b.       het bereiken van de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet; of
c.       het verkrijgen van het Nederlanderschap.
3.       Op verzoek van de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, van het besluit, vindt gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld plaats indien de debiteur binnen de termijn, genoemd in artikel 7b, eerste lid, van de wet, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet verlengde termijn, niet aan de inburgeringsplicht heeft voldaan en uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn, niet langer inburgeringsplichtig is vanwege het indienen van een aanvraag tot ontheffing als bedoeld in artikel 2.4b, onderdeel b en c, of tot vrijstelling als bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, van het besluit en de verzochte ontheffing of vrijstelling is verleend.
4.       Bij de vaststelling van de hoogte van de kwijtschelding van de schuld wordt gekeken naar:
a.       de mate van verwijtbaarheid; en
b.       binnen hoeveel maanden alsnog is voldaan aan de inburgeringsplicht of een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid zich voordeed.
5.       De hoogte van de kwijtschelding van de schuld wordt vastgesteld aan de hand van de tabel, opgenomen in bijlage 19 bij deze regeling.
6.       In bijzondere omstandigheden kan ten gunste van de debiteur die een vreemdeling is als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, van het besluit, worden afgeweken van de voorwaarden, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, of van de tabel, bedoeld in het vijfde lid, of kan de terugbetalingsplicht teniet worden gedaan.
7.       De minister neemt binnen twaalf weken na ontvangst een beslissing op de aanvraag tot kwijtschelding van de schuld.