ECLI:NL:RVS:2026:2551
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- M. Soffers
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen bewaring vreemdeling zonder rechtmatig verblijf en toetsing non-refoulement
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 16 februari 2026 in bewaring wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en het niet voldoen aan meldplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, hief de bewaring op en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de minister voldoende zorgvuldig heeft onderzocht of het beginsel van non-refoulement zich tegen uitzetting verzet. Betrokkene kon geen declaratoir verblijfsrecht op grond van het Unierecht aantonen, omdat hij geen opvolgende aanvraag had ingediend en onvoldoende bewijs leverde van zorg voor zijn minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit.
Verder acht de Afdeling de zware gronden 3b en 3c van de Vreemdelingenwet 2000 voldoende onderbouwd om de bewaring te dragen. Het beroep van betrokkene faalt ook in zijn stellingen over onttrekkingsrisico en het ontbreken van een lichter middel. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en wijst het beroep van betrokkene en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.